Uitspraak van verwijderd op zondag 1 februari 2009 om 03:46:
Overigens stop je (Popeye) soms met reageren op onderwerpen wanneer demente taart er een zeer zinnig antwoord op geeft..?
Tot nu toe ben ik wel ingegaan op demente taart, maar ik heb het gevoel dat ik hier gezien word als lid van 1 van die behoudende christelijke organisaties en daar heb ik geen zin in. Ik ben een voorstander van deze actie omdat ik het ermee eens ben dat de evolutietheorie tegenwoordig niet meer op scholen wordt onderwezen als een theorie maar als een waarheid terwijl lang nog niet alles bewezen is. Daar mag best een keer over gediscussieerd worden.
Deze website
http://home.hetnet.nl/~genesis/Deel1/BioIndex.htm zet bijvoorbeeld een heleboel vraagtekens met bronvermeldingen bij vele zaken die nu als "feit" worden afgedaan terwijl onderzoekers juist het tegenovergestelde beweren.
Uitspraak van verwijderd op zondag 1 februari 2009 om 03:46:
Er zijn nooit fossielen van tussenvormen gevonden
Dat is gewoon niet waar. Sterker nog: er zijn ontelbaar veel fossielen gevonden van soorten die zich in een tussenvorm bevonden. Echt, het gaat om biljoenen. Al deze fossielen bewijzen dat er soorten hebben geleefd die zich in een tussenvorm bevonden van huidige soorten. Dat gaat van soorten die half vis/ half amfibie waren, tot girafsoorten met een korte nek.
23. Biologie - Fossiele hiaten
Als evolutie heeft plaatsgevonden dan zouden in de fossiele kolom voortdurende en geleidelijke veranderingen zichtbaar moeten zijn van de onderste naar de bovenste lagen. In feite zit de fossiele kolom vol met hiaten en discontinuïteiten.a Er ontbreken fossiele schakels tussen allerlei planten,b tussen eencellige levensvormen en ongewervelde dieren, tussen verschillende insectensoorten,c tussen niet-gewervelde en gewervelde dieren,d tussen vissen en amfibieën,e tussen amfibieën en reptielen,f tussen reptielen en zoogdieren,g tussen reptielen en vogel,h tussen primaten en andere zoogdieren,i en tussen apen en andere primaten.j In feite ontbreken er, complete ketens in plaats van schakels. De fossiele kolom is dusdanig uitputtend onderzocht dat we gewoon kunnen cncluderen dat deze gaten er daadwerkelijk zijn en dat ze niet meer gedicht kunnen worden.k
a . “maar, aangezien er volgens deze theorie ontelbare overgangsvormen moeten bestaan hebben, waarom vinden wij deze dan niet in talloze aantallen ingebed in de korst van de aarde?” Darwin, The Origin of Species, blz. 163.
“... het aantal tussenvormen, die vroeger bestaan hebben [moet] werkelijk gigantisch zijn. Waarom zit dan niet iedere geologische formatie en iedere aardlaag vol met dergelijke tussenschakels? De geologie laat telkens opnieuw zien dat dergelijke geleidelijke organische overgangen er niet zijn; en dit is, misschien, het meest duidelijke enovertuigenede bezwaar dat opgeworpen kan worden tegen de theorie [van de evolutie].” Idem, blz. 323.
Darwin dacht dat deze hiaten er waren vanwege de “onvolledigheid van de fossiele kolom.” Aanvankelijk verwachten zijn aanhangers dat de hiaten opgevuld zouden worden naarmate de ontdekking van fossielen toenamen. De meeste paleontologen zijn het er inmiddels mee eens dat deze verwachting niet is uitgekomen.
Het Field Museum of Natural History in Chicago heeft een van de grootste collecties van fossielen in de wereld. Het hoofd hiervan, Dr. David Raup, was dus uitermate gekwalificeerd om de situatie samen te vatten met betrekking tot de tussenvormen die in de fossiele kolom aanwezig zouden moeten.
Inmiddels zijn we 120 jaar verder dan Darwin en de kennis van de fossiele kolom is enorm toegenomen. We hebben nu een kwart miljoen fossiele soorten, maar de situatie is nauwelijks verander. De lijn van de evolutie is nog altijd verrassend schokkerig en ironisch genoeg hebben we zelfs nog minder voorbeelden van evolutionaire overgangsvormen dan in de dagen van Darwin. Hiermee bedoel ik dat sommige van de klassieke voorbeelden van darwiniaanse veranderingen in de fossiele kolom, zoals de evolutie van paarden in Noord Amerika, terzijde moeten worden geschoven of aangepast als gevolg van meer gedetailleerde informatie - wat aanvankelijk een mooi voorbeeld leek te zijn van simpele ontwikkeling toen er relatief nog maar weinig data beschikbaar was, lijkt nu veel complexer en veel minder gradueel. En dus is de last van Darwin in de afgelopen 120 jaar nog niet verlicht en zitten we nog altijd met een verslag dat wel veranderingen laat zien, maar dat nauwelijks beschouwd kan worden als het meest logische gevolg van natuurlijke selectie. David M. Raup, “Conflicts Between Darwin and Paleontology,” Field Museum of Natural History Bulletin, Vol. 50, No. 1, January 1979, blz. 25.
“In feite laat de fossiele kolom op geen enkele manier een overtuigend bewijs zien van de overgang van de ene soort in de andere.” Stanley, blz. 95.
“Maar de fossiele soorten blijven grotendeels onveranderd tijdens hun bestaansperiode en de fossiele kolom laat geen enkel voorbeeld zien van een duidelijke transitie.” David S. Woodruff, “Evolution: The Paleobiological View,” Science, Vol. 208, 16 May 1980, blz. 716.
Dr. Colin Patterson, een senior paleontoloog van het British (natuurhistorisch) Museum werd gevraagd door Luther D. Sunderland waarom er geen evolutionaire overgangen beschreven waren in zijn nieuwste boek "Evolution. In "een persoonlijke brief schrijft Patterson daarop:Ik ben het volledig eens met uw kommentaar over het gebrek aan direckt bewijs van evolutionaire overgangen in mijn boek. Als ik dat had geweten van een of ander fossiel of levende soort, dan zou ik het zeker hebben vermeld. U suggereert dat een tekenaar gevraagd zou moeten worden om dergelijke transformaties te visualizeren, maar waar zou ik de informatie vandaan moeten halen? I kan daar in alle eerleijkheid niet in voorzien en als ik het aan de tekenaar had overgelaten, zou dat de lezer dan niet misleid hebben? ... Toch zijn Gould en de mensen van het American Museum moeilijk te weerleggen als ze zeggen dat er geen overgangsfossielen zijn. Als palaeontoloog ben ik zelf druk bezig met de philosophische problemen van het identificeren van voorouder vormen in de fossiele kolom. U zegt dat ik tenminste “een foto had moeten laten zien van de fossiele vorm waaruit iedere soort organisme is afgeleid.” Ik leg het terzijde, er is geen enkel fossiel waarvoor men dat voldoende waterdicht kan beargumenteren. Kopie van de bried, dd. 10 April 1979, van Patterson aan Sunderland.
“Maar het opmerkelijke is dat er één consistentie is in de fossiele hiaten: de fossielen ontbreken op alle belangrijke plaatsen. Als je zoekt naar schakels tussen de belangrijkste groepen van dieren, dan vindt je ze niet; tenminste niet in voldoende aantallen om een twijfelachtige status uit te sluiten. Ze bestaan of helemaal niet of ze zijn zo zeldzaam dat er eindeloze discussies ontstaan of een bepaald fossiel wel, niet of misschien een overgang is tussen de ene groep en de andere.” [vet gedrukt in origineel] Hitching, blz. 19.
“Er is geen beter weerlegbare conclusie van het Darwinisme dan die gegeven wordt door de paleontologie. Eenvoudige kansberekeningen geven aan dat de fossiele schatkist alleen uit willekeurige vormen kan bestaan. Iedere vorm zou daarom een verschillende fase van de evolutie moeten weerspiegelen en er zouden vooral ‘overgang’ vormen moeten zijn zonder scherpe scheidslijnen en duidelijke soorten. In plaats daarvan vinden we volkomen stabiele en onveranderde vormen die gedurende lange perioden standhouden, vormen die niet ontwikkeld zijn op basis van het geschiktheids principe, maar die plotseling en ineens voorkomen in hun uiteindelijke vorm; die zich daarna niet verder ontwikkelen door een beter aanpassingsvermogen, maar wel steeds zeldzamer worden en uiteindelijk verdwijnen, terwijl er heel andere vormen naar voren komen. Wat duidelijk wordt, in een voortdurend toenemende mate van vormen, is dat grote klassen en soorten van levende wezens die oorspronkelijk bestaan hebben en nog steeds bestaan, zonder transitie soorten, in de huidige groepering.” [vet gedrukt in origineel] Oswald Spengler, The Decline of the West, Vol. 2 (New York: Alfred A. Knopf, 1966), p. 32.
“Deze voortdurende afwezigheid van overgangsvormen is niet beperkt tot zoogdieren, maar is een vrijwel universeel fenomeen, zoals al lang is opgemerkt door paleontologen. Het geldt voor vrijwel alle ordes van alle klassen van of dieren, zowel gewerveld als ongewerveld. Bovendien geldt het ook voor de klassen zelf en de belangrijkste dieren phyla, en het geldt blijkbaar ook voor analoge categorieën van planten.” George Gaylord Simpson, Tempo and Mode in Evolution (New York: Columbia University Press, 1944), blz. 107.
“... de geologische kolom liet toen en laat nu nog steeds geen gelijkmatige schakels zien van langzame en progressieve evolutie. Met andere woorden er zijn niet voldoende tussenvormen. Er zijn maar erg weinig gevallen waarbij men een geleidelijke overgang kan vinden van de ene soort in de andere en erg weinig situaties waarbij men naar een gedeelte van de fossiele kolom kijkt en daadwerkelijk ziet dat organismen verbeteren in de zin van steeds beter aangepast.” Idem, blz. 23.
“Het gebrek aan gradualisme - het ontbreken van tussenvormen - is een belangrijk probleem.” Dr. David Raup, van blz.16 van een goedgekeurd en geverifieerde schrifelijk vastgelegd opgenomen interview door Luther D. Sunderland op 27 July 1979.
“... er zijn ongeveer 25 hoofdgroepen (phyla) van alleen al het dierenrijk, allemaal met hiaten ertussen die niet overbrugd zijn door bekende tussenvormen.” Francisco J. Ayala en James W. Valentine, Evolving, The Theory and Processes of Organic Evolution (Menlo Park, California: The Benjamin Cummings Publishing Co., 1979), blz. 258.
“De meeste klassen en phyla komen plotseling voor en hebben over het algemeen alle kenmerkende eigenschappen waarmee ze zich onderscheiden.” Idem, blz. 266.
“Alle paleontologen weten dat de fossiele kolom nauwelijks tussenvormen bevat; overgangen tussen hoofdgroepen zijn typisch abrupt.” Gould, “The Return of Hopeful Monsters,” blz. 23.
“De extreme zeldzaamheid van overgangsvormen in de fossiele kolom houdt stand als beroepsgeheim van de paleontologie. De evolutionaire stambomen waarmee onze studieboeken geïllustreerd zijn hebben alleen maar referenties in de uiteinden en de knooppunten van de takken; de rest is beredeneerd, redelijkerwijs, maar niet bewezen door de fossielen. ... We beschouwen onszelf als de enige echte studenten van de natuurhistorie, maar bij het handhaven van onze favoriete theorie van evolutie als gevolg van natuurlijke selectie, hebben we te maken met gegevens die zo slecht zijn, dat we het proces dat we bestuderen nog nooit hebben kunnen verifiëren.” Stephen Jay Gould, “Evolution’s Erratic Pace,” Natural History, Vol. 5, May 1977, blz. 14.
“Nieuwe soorten ontstaan vrijwel altijd plotseling in de fossiele kolom zonder tussenschakels met voorouders in oudere gesteenten uit hetzelfde gebied.” Idem, blz. 12.
In een gepubliceerd interview zegt, Dr. Niles Eldredge, paleontoloog van ongewervelde dieren van het Amerikaans Natuurhistorisch Museum:
Maar de geleidelijke overgang van de ene levensvorm in de andere, die de theorie impliceert wordt ... niet uitgedragen door de feiten. De zoektocht naar "ontbrekende schakels” tussen verschillende levende soorten, zoals mensen en apen, is waarschijnlijk onvruchtbaar ... omdat ze waarschijnlijk nooit hebben bestaan als aparte overgangsoorten ... Maar niemand heeft ooit enige bewijs gevonden voor dergelijke overgangsoorten. Deze eigenaardigheid werd toegeschreven aan de hiaten in de fossiele kolom, waarvan gradualisten verwachten dat ze gedicht zouden worden als de aardlagen van de juiste ouderdom gevonden zouden worden. In de afgelopen decenia hebben geologen echter gesteentelagen gevonden van alle divisies van de afgelopen500 miljoen jaar, maar daar bevonden zich geen overgangsvormen in. Als de fossiele kolom niet tekort schiet, dan moet het de theorie zelf zijn. “Missing, Believed Nonexistent,” Manchester Guardian (The Washington Post Weekly), Vol. 119, No. 22, 26 November 1978, blz. 1.
Gould en Eldredge geoloven dat de overgangsfossielen ontbreken, omdat er snelle evolutionaire sprongen over deze hiaten heen hebben plaatsgevonden. Ze noemen hun theorie “punctuated equilibria”, maar leggen niet uit hoe dit mogelijk is.
Veel genetici zijn geschrokken van het voorstel van Gould en Eldredge. Waarom zouden zij iets voorstellen dat zo strijdig is met de genetica? Ze werden gedwongen om te concluderen dat evolutie sprongsgewijs heeft plaatsgevonden. Het verklaren van hoe dergelijke sprongen genetisch konden plaatsvinden is van minder belang. Voor sommigen is deze "noodsprong" gerechtvaardigd.
“... de graduele morfologische overgangen tussen vermeende voorouders en afstammelingen, die door de meeste biologen verwacht werden, ontbreken.” David E. Schindel (Curator of Invertebrate Fossils, Peabody Museum of Natural History), “The Gaps in the Fossil Record,” Nature, Vol. 297, 27 May 1982, blz. 282.
“Ondanks de heldere belofte dat de paleontologie een middel is om evolutie "te zien", heft het vervelende moeilijkheden opgeworpen voor de evolutionisten, waarvan de aanwezigheid van "fossiele hiaten" de meest opmerkelijke is. Voor evolutie zijn overgangsvormen nodig tussen verschillende soorten en de paleontologie kan hier niet in voorzien.” David B. Kitts (School of Geology and Geophysics, University of Oklahoma), “Paleontology and Evolutionary Theory,” Evolution, Vol. 28, September 1974, blz. 467.
“Ondanks de enorme hoeveelheden paleontologisch materiaal en het bestaan van lange reeksen goed bewaarde stratigrafische lagen met perfecte afdrukken van de lagere categorieën, ontbreken de overgangen tussen de hogere categorieën.” Goldschmidt, blz. 98.
“Als een nieuwe phylum, klasse of orde ontstaat, volgt er een snelle, explosieve (in termen van geologische tijd) diversificatie zo dat praktisch alle ordes van bekende families plotseling en zonder enige duidelijke overgangen voorkomen.” Idem, blz. 97.
“Er is geen fossiele kolom die de historische continuïteit van structuren bevestigd voor de karakters die gebruikt zouden kunnen worden om de relaties tussen phyla te bepalen.” Katherine G. Field e.a., “Molecular Phylogeny of the Animal Kingdom,” Science, Vol. 239, 12 February 1988, blz. 748.
b. “Er werd heel lang gehoopt dat uitgestorven planten uiteindelijk iets zouden laten zien van de fasen van ontwikkeling die bestaande groepen doorlopen hebben, maar het moet worden toegegeven dat dat deze aspiratie nauwelijks vervuld is hoewel het paleobotansiche onderzoek al meer dan honderd jaar vordert. Tot nu toe zijn we niet in staat geweest om de phylogenetische historie van een enkele groep moderne planten van het begin af aan tot nu toe in kaart te brengen.” Chester A. Arnold, An Introduction to Paleobotany (New York: McGraw-Hill, 1947), blz. 7.
“... voor de onbevooroordeelden pleit de fossiele kolom van planten voor een bijzondere schepping. Als er echter een andere verklaring gevonden kan worden voor deze hiërarchie in de klassificatie, dan zou de doodslag zijn voor de evolutietheorie. Kun je je voorstellen hoe een orchidee, eendekroos of een palm kunnen afstammen van dezelfde voorouder, en is er enig bewijs voor deze veronderstelling? De evolutionist moet in staat zijn om een antwoord te geven, maar ik denk dat het in gebreke zou blijven voor een inquisitie. Studieboeken misleiding.” E. J. H. Corner, “Evolution,” Contemporary Botanical Thought, editors Anna M. MacLeod and L. S. Cobley (Chicago: Quadrangle Books, 1961), blz. 97.
“De afwezigheid van een of andere bekende reeks van dergelijke tussenvormen legt behoorlijke beperkingen op aam mofologen die geintereseerd zijn in de voorouderlijke bron van angiospermen [bloeiende planten] en leidt tot de speculatie en interpretatie van homologieën en relaties op basis van het meest uitvoerige bewijs.” Charles B. Beck, Origin and Early Evolution of Angiosperms (New York: Columbia University Press, 1976), blz. 5.
“De oorsprong van de angiospermen was een ‘abominabel mysterie’ voor Charles Darwin, overleefde 100 jaar lang en het is tegenwoordig nauwelijks beter.” Colin Patterson e.a., “Congruence between Molecular and Morphological Phylogenies,” Annual Review of Ecology and Systematics, Vol. 24, 1993, blz. 170.
c. “De fossiele kolom van insecten toont vele hiaten.” “Insects: Insect Fossil Record,” Britannica CD, Version 97 (Chicago: Encyclopeaedia Britannica, Inc., 1997).
d. Sprekende over het gebrek aan overgangsvormen tussen ongewervelden en gewervelden geeft Smith toe:
Met de huidige informatie, blijven de hiaten echter onoverbrugbaar en is de beste manier om de evolutie van gewervelde dieren te beginnen de verbeelding. Homer W. Smith, From Fish to Philosopher (Boston: Little, Brown, and Co., 1953), blz. 26.
“Hoe deze eerste chordaten (zakpijpen) evolueerde, welke stadia van ontwikkeling het doorliep om uiteindelijk te worden tot echte visachtige schepselen weten we niet. Tussen het Cambrium, waar deze waarschijnlijk ontstond, en het Ordovicium toen de eerste fossielen van dieren met echte visachtige kenmerken verschenen, zit een leemte van misschien 100 miljoen jaar die we waarschijnlijk nooit kunnen overbruggen.” Francis Downes Ommanney, The Fishes, Life Nature Library (New York: Time Incorporated, 1963), blz. 60.
e. “... er zijn geen overgangsvormen tussen vinachtigen en lopende schepsels in de fossiele verzamelingen van de wereld.” Taylor, blz. 60.
f. Evolutionisten geloven dat amfibieën tot reptielen evolueerden, met of Diadectes of Seymouria als vermeende overgangsvorm. Volgens de tijdschaal van de evolutie vondt deze“transitie” echter plaats 35 miljoen jaar 🇲🇾 na het vroegste reptiel, Hylonomus (een cotylosauria). Een voorouder kan onmogelijk 35 miljoen jaar na zijn nakomelingen ontstaan zijn! De verspreidde locaties van deze fossielen stelt de evolutieleer ook voor problemen.
Wie?
Wanneer?
Waar?
Eerste Reptielen
Hylonomus
onder-Carboon 315 m.y.
Nova Scotia
Transitie?
Diadectes
onder-Perm 280 m.y.
Texas
Transitie?
Seymouria
onder Perm 280 m.y.
Texas
[Zie Steven M. Stanley, Earth and Life Through Time (New York: W. H. Freeman and Co., 1986), blz. 411–415. Zie ook Robert H. Dott, Jr. en Roger L. Batten, Evolution of the Earth, 2nd edition (New York: McGraw-Hill, 1976), blz. 311.]
Het klopt dat de kenmerken van het skelet van sommige amfibieën en sommige reptielen overeenkomt. Maar er zijn grote verschillen in hun zachte interne organen, zoals hun bloedsomloop en voortplantingsorganen. Er is bijvoorbeeld nooit een evolutionaire verklaring geschreven over de ontwikkeling van de vele unieke innovaties van het ei van een reptiel. [zie Denton, blz. 218–219 en Pitman, blz. 199–200.]
g. “Hiaten op een lager taxonomisch niveau, specifiek en algemeen, zijn praktisch universeel in de fossiele kolom van de zoogdier achtige reptielen. In geen enkel zorgvuldig beschreven situatie is het mogelijk om een transitie na te gaan, soort voor soort van het ene geslacht tot het andere.” Thomas S. Kemp, Mammal-like Reptiles and the Origin of Mammals (New York: Academic Press, 1982), blz. 319.
h . “De [evolutionaire] oorsprong van vogels is voornamelijk een kwestie van deductie. Er is geen fossiel bewijs voor de stadia waardoor de opmerkelijke verandering van reptiel tot vogel tot stand kwam.” W. E. Swinton, “The Origin of Birds,” Biology and Comparative Physiology of Birds, editor A. J. Marshall (New York: Academic Press, 1960), Vol. 1, Chapter 1, blz. 1.
Sommige beweren dat vogels afstammen van een tweepotige dinosaurus die bekend staat als een theropoda. Maar er zijn daarbij wat problemen.
Een theropoda dinosaurus fossiel dat in China gevonden is laat een lonmechanisme zien dat totaal verschillend is dan dat van vogels. [Zie John A. Ruben e.a, “Lung Structure and Ventilation in Theropod Dinosaurs and Early Birds, Science, Vol. 278, 14 November 1997, blz. 1267–1270.] In dat raport, “beargumenteerd Ruben dat een transitie van een krokodillen naar een vogel long onmogelijk zou zijn geweest, omdat de overgangs soort een levensbedreigende hernia of gat in het middenrif zou hebben” [Zie Ann Gibbons, “Lung Fossils Suggest Dinos Breathed in Cold Blood,” Science, Vol. 278, 14 November 1997, blz. 1230.]
De "handen" van vogels en theropoda verschillen. Theropoda hebben “vingers” I, II en III (dus geen “ringvinger” and "kleine vinger"), terwijl vogels vingers II, III en IV hebben. “Het bewijs van ontwikkeling van homologie is problematisch voor de hypothetische theropoda oorsprong van vogels.” [zie Ann C. Burke en Alan Feduccia, “Developmental Patterns and the Identification of Homologies in the Avian Hand,” Science, Vol. 278, 24 October 1997, blz. 666–668.] “... dit belangrijke bewijs in de ontwikkeling dat vogels een II-III-IV formule hebben in tegenstelling tot de dinosaurus I-II-III, is de belangrijkste barriere om te geloven in een dinosaurus oorsprong [voor vogels] orthodoxisme.” [See Richard Hinchliffe, “The Forward March of the Bird-Dinosaurs Halted?” Science, Vol. 278, 24 October 1997, blz. 597.]
Theropoda “armen” (relatief ten opzichte van lichaamsomvang) zijn dun vergeleken met de vleugels van de vermeende eerste vogels.
“... de meeste theropoda dinosaurussen en met name de vogelachtige dromaeosaurus bevinden zich allemaal veel later in de fossiele kolom dan Archaeopteryx [de vermeende eerste vogel].” Hinchliffe, blz. 597.
Zie “Wat was Archaeopteryx?”.
Vogels hebben veel unieke kenmerken die vanuit de evolutie gezien moeilijk te verklaren zijn. Een aantal daarvan zijn de veren, de tong en het ontwerp van de eischaal.
i. “Waneer en waar de eerste primaten voorkwamen is ook gissen. ... Het is, daarom, duidelijk dat de eerste primaten niet bekend zijn ...” William Charles Osman Hill, Primates (New York: Interscience Publishers, Inc., 1953), Vol. 1, blz. 25–26.
“De overgang van insectivoren naar primaten is niet duidelijk aanwezig in de fossiele kolom.” A. J. Kelso, Physical Anthropology, 2nd edition (New York: J. B. Lippincott Company, 1974), blz. 141.
“Moderne apen, bijvoorbeeld, lijken uit het niets te ontspringen. Ze hebben gen verleden, geen fossiele voorloper. En de werkelijke oorsprong van de huidige mens, rechtop lopende, gereedschap makende wezens met grote hersens is, als we eerlijk tegen onszelf zijn een al even grood mysterie.” Lyall Watson, “The Water People,” Science Digest, May 1982, blz. 44.
j. “In ieder geval komen moderne gorillas, orang oetangs en chimpansees uit het niets. Ze zijn er; ze hebben geen verleden, tenzij men in staat is om een vage voorafschaduwing in de dryopitheciden te vinden.” Donald Johanson and Maitland Edey, Lucy: The Beginnings of Humankind (New York: Simon and Schuster, 1981; reprint edition, New York: Warner Books, 1982), blz. 363.
k. “Het kan daarom als vaststaand worden aangenomen dat het zelfs niet mogelijk is om een karikatuur van de evolutie te maken uit de palaeobiologische feiten. De fossiele verzameling is nu zo compleet dat het mogelijk is geweest om nieuw klassen te definiëren en het gebrek van overgangs reeksen en het gebrek van onvergangs reeksen kan niet worden uitgelegd als een gebrek aan beschikbaar materiaal. De gebreken zijn echt en ze zullen nooit overbrugd worden.” Nilsson, blz. 1212.
“... de ervaring laat zien dat de hiaten die de hoogste categorieën scheiden in de fossiele kolom nooit overbrugd kunnen worden. Veel van de discontinuïteiten lijken meer en meer benadrukt te worden met het toenemen van de verzamelingen.” Norman D. Newell (voormalig Curator van de Historical Geology bij het Amerikaans Natuurhistorisch Museum), “The Nature of the Fossil Record,” Adventures in Earth History, editor Preston Cloud (San Francisco: W. H. Freeman and Co., 1970), blz. 644–645.
“Iemand kan uit een groep kiezen, dieren of planten, groot of klein of willekeurig. Hij kan vervolgens naar een bibliotheek gaan en met een beetje geduld zal hij een deskunidge auteur weten te vinden die zegt dat de evolutionaire oorsprong van die soort niet bekend is.” Bolton Davidheiser, Evolution and Christian Faith (Phillipsburg, New Jersey: The Presbyterian and Reformed Publishing Company, 1969), blz. 302.
Davidheiser, een Ph.D. zooloog en creationist, gaat verder met een lijst van meer dan 75 extra voorbeelden die dit bevestigen.
Bron:
http://home.hetnet.nl/~genesis/Deel1/Bio23.htm