Het suïcidaal proces begint met gedachten aan zelfdoding. Deze zijn aanvankelijk vaag zoals “ik zou willen dat ik er niet meer was” of “het zou voor iedereen beter zijn als ik er niet meer was”.
Deze gedachten kunnen concreter en meer dwingend worden en leiden tot een suïcidaal plan: hoe zal ik het doen, wanneer, met welk middel? Eventueel worden maatregelen getroffen om dit plan uit te voeren: medicatie verzamelen, een touw zoeken, gaan kijken naar de spoorweg ... Soms wordt het afscheid voorbereid door bepaalde regelingen te treffen zoals een testament of afscheidsbrief schrijven, dingen weggeven. Wanneer deze voorbereidingen uitgevoerd worden, stijgt de kans op een poging aanzienlijk. De spreekwoordelijke “laatste druppel”, b.v. een kleine ruzie, een tegenslag, eventueel in combinatie met ontremmende factoren als alcohol- en druggebruik en voorbeelden in de omgeving, brengt de realisatie van het plan dichterbij. Er kan een zelfmoordpoging volgen, al dan niet met dodelijke afloop.
Na een poging kan de suïcidale persoon een gevoel van opluchting ervaren, maar de kans dat het suïcidaal proces weer opduikt is reëel. Bij sommige personen loopt dit proces over jaren en zijn er verschillende pogingen. Anderen doorlopen dit proces in een paar uren en zijn meer impulsief in hun gedrag. Niet elk suïcidaal proces eindigt in een zelfmoord.
In de beginfase van dit proces is men vaak angstig en agressief als reactie op oncontroleerbare stress De factoren die deze stress veroorzaken kunnen zowel vanuit de omgeving komen als van binnen de persoon zelf en geven hem het gevoel "in de val te zitten". Williams spreekt van "entrapment" (zich gevangen voelen). De persoon wil ontsnappen aan deze situatie die hij als ondraaglijk ervaart, maar slaagt hier niet in. Hij voelt zich hulpeloos en hopeloos. Williams ziet suïcidaal gedrag eerder als een schreeuw van pijn ("cry of pain") dan als een roep om hulp ("cry for help"). Suïcidaal gedrag kan een communicatief resultaat hebben, zonder dat communicatie het belangrijkste motief ervan is. Iemand die suïcidaal gedrag stelt is meestal ambivalent;enerzijds wil men (misschien) dood zijn, anderzijds wil men een ander leven. Men wil dat de situatie verandert, dat de gevoelens die ermee gepaard gaan ophouden en dat het lijden stopt.
Bij een zelfmoordpoging is er nog sprake van een actief verzet. Men is angstig, prikkelbaar en agressief. Verder in het suïcidaal proces neemt de hopeloosheid toe en heeft men het gevoel uitgevochten te zijn. Men heeft de neiging op te willen geven en de kans op een effectieve zelfmoord wordt groot (Williams 1997).
Op gevoelsmatig vlak en in het denken is er een vernauwing. De persoon ervaart hoofdzakelijk negatieve gevoelens, kan niet meer genieten en voelt zich in toenemende mate hulpeloos en hopeloos.
Personen die zich in een suïcidaal proces bevinden vertonen vaak denkstoornissen en geheugenstoornissen. Opvallend is het dichotoom denken: zwart/wit-denken, waarbij de persoon geen middenweg ziet, enkel de extremen.
Andere mogelijke denkstoornissen zijn:
Selectieve abstractie : op basis van één element een conclusie trekken; b.v. in de beoordeling van een verhandeling merkt de leraar op dat de inleiding te lang was, de leerling concludeert dat zijn verhandeling niet goed was.
Arbitraire gevolgtrekking : conclusies trekken op basis van irrelevante zaken; b.v. de persoon wil iemand opbellen, de telefoon wordt niet beantwoord en hij concludeert: “Zie je wel, er is niemand die mij nog kan helpen.”
Overgeneraliseren : algemene conclusies trekken op basis van één gebeurtenis; b.v.: “Ik ben gezakt op dit examen, ik zal niet slagen dit jaar”.
Catastrofaal denken : het allerslechtste denken; b.v.: “Als ik niet slaag, heb ik geen toekomst meer.”
Ook het geheugen kan geblokkeerd raken. Het gebeurt vaak dat de negatieve herinneringen de bovenhand halen op positieve herinneringen. Men kan zich ook niet meer goed herinneren hoe men ervoor kan zorgen dat men zich beter gaat voelen.
Concreet kan de vernauwing op de volgende vlakken vast gesteld worden:
De beleving van de eigen situatie:
de persoon ziet alleen het probleem, kan er geen afstand van nemen, wordt erdoor opgeslorpt.
De kijk op de eigen mogelijkheden:
de persoon verliest zijn kracht, heeft de indruk zijn leven niet meer in handen te hebben.
De gevoelswereld:
de persoon heeft een negatieve stemming en voelt zich somber, moe, wanhopig, minderwaardig, machteloos, hulpeloos, hopeloos; ook agressieve gevoelens zijn vaak aanwezig.
De waardenbeleving:
wat vroeger belangrijk was, lijkt de moeite niet meer. Men verliest de kracht om zich nog voor iets in te zetten. Ook het gevoel van eigenwaarde is sterk verminderd, wat de kans op zelfvernietiging verhoogt.
Het tijdsbesef en de ruimtebeleving:
de persoon ziet geen toekomst meer, het lijden lijkt wel eeuwig te zullen duren. De ruimte waarin iemand zich beweegt wordt steeds kleiner, ook letterlijk.
De intermenselijke relaties: de persoon sluit zich geleidelijk aan meer af van zijn omgeving en raakt geïsoleerd. Communicatie wordt gemeden; b.v. de telefoon wordt niet meer opgenomen, afspraken worden afgezegd. Sommige mensen hebben nog wel contacten, maar deze blijven oppervlakkig. Het zich afsluiten van anderen biedt bescherming tegen nog meer gekwetst worden. Tegelijkertijd heeft de persoon het gevoel dat niemand hem begrijpt of werkelijk kent. Anderen stellen zich heel afhankelijk op t.o.v. één persoon, waardoor ze zeer kwetsbaar zijn. Door zich af te sluiten krijgen ervaringen die de negatieve gedachten en verwachtingen kunen weerleggen, weinig kans. Men voelt zich verlaten, in de steek gelaten. Schuld- en schaamtegevoelens over het eigen suïcidaal gedrag maken dat communicatie hierover vaak gemeden wordt.
Vaak merkt men een vlucht in de verbeelding op. De persoon zit opgesloten in zijn eigen fantasieën. Er wordt gefantaseerd over de eigen dood: “Hoe zou de wereld eruit zien zonder mij?” Vage gedachten kunnen evolueren naar concrete plannen. Men fantaseert over hoe men het zou doen, waar, wanneer. Hoe zal de begrafenis zijn? Wie zal er om mij treuren? Hoe zullen de anderen zich voelen?
Bij adolescenten ziet men vaak een uitgewerkte fantasiewereld. Naar aanleiding van een bepaald boek, gedicht of film, kunnen er uitgebreide - soms romantische - fantasieën ontstaan over suïcide en dood. Identificatie met en romantisering van de hoofdfiguur of schrijver, kunnen als troost dienen en als afweer van de angst voor dood en suïcide.