Weer komt Rik met een weerwoord; hij beaamt dat er bijna geen Amsterdammers meer in de stad wonen, maar zegt dat de nieuwe Amsterdammers vooral Brabanders zijn. Hilde vertelt dat ze in Amsterdam altijd last had van buitenspelende allochtone kinderen laat op de avond.
“Eigen volk gaat wel voor andere volken”, zegt Etiënne. “Je spreekt jezelf tegen, want je bent zelf half, schat!” Daar heeft Janine gelijk in, want Etiënne’s oma is uit Indonesie gekomen. Toch vindt hij dat dit niet telt. Het enige wat zijn oma nog doet is Indonesisch koken, maar verder is zijn familie volledig Nederlands.
“Je kan niet alleen met je eigen volk bezig zijn, want dat bestaat niet meer”, vindt Janine. Ze vertelt hoe haar moeder vroeger op school in Suriname de topografie van Nederland moest leren: “Wat een kolder!” Rik vindt dat Nederlands zijn maar relatief is: “Als wij de Nederlandse inburgeringscursus zouden moeten doen zou de helft het niet halen.” Marcel zegt dat de inburgeringscursus gewoon niet goed is.
Etiënne vindt dat de Indonesische bevolking in Nederland erg goed geïntegreerd is. Zijn argument hiervoor is het feit dat er in Nederland bijna geen boeddhistische tempels zijn.
Uiteindelijk zijn het vooral Etiënne en Tijn die fel tegen elkaar in gaan. Tijn vindt dat Etiënne niet in een positie is om harde uitspraken te doen over allochtonen en integratie. Hoe weet hij dat allemaal? Maar daar is Etiënne het niet mee eens. Hij vindt dat hij, gebaseerd op kranten, televisie en zijn eigen inzicht best een mening kan hebben. “Ik zeg niet dat alle allochtonen hier zijn om van ons te profiteren, maar een gedeelte doet dat wel.”