Ver voor het verleden was er een boom. De mensen uit het dorp zeiden dat de boom behekst was. De boom was geen gewone boom. Het was een zwarte boom. Men zegt dat er 's nachts met volle maan heksen daar rondom de zwarte boom hun maandelijkse vergadering houden. Vampiers beten mensen die langskwamen en weerwolven vielen de mensen aan. In één maand waren er 8 doden. Ze waren niet dood meer. Ze namen de vorm aan van een vampier of weerwolf. Met volle maan gingen in het dorp alle ramen en deuren dicht, de mensen durfden niet meer naar buiten. Ook de Familie Harstdonk. Hun zoon was door een vampier gebeten. In het begin wisten ze het niet, maar Samuel (die zoon) kon niet meer licht zien. En de volgende maand, toen de volle maan er weer was, was Samuel niet meer in zijn bed te vinden. De Familie Hartsdonk was heel erg geschrokken. Hun dochter Marie begon een zoektocht naar Samuel, maar dat leidde naar niets. Vanaf die tijd was niemand meer de bekennen in het dorp bij volle maan. De heksen waren er weer, maar deze keer niet alleen met de andere heksgenoten. Deze keer waren de vampiers en weerwolven ook bijeengekomen. Het was een enorme drukte bij de zwarte boom. Samuel die nu vampier was, nam het woord en zei: 'Stilte graag' de anderen werden langzaam stil. 'Deze bijeenkomst is heel belangrijk, we zijn nog lang niet machtig, er bestaan nog veel ste veel mensen. We hebben dorst, maar kunnen onze dorst niet lessen. Alle mensen hebben knoflook en een kruis voor hun deur hangen. Ook de ramen zitten er vol van. Wij moeten de macht behouden!' Iedereen stemde er mee in, zij wilden ook machtig worden. De heksen zorgden voor spreuken, zodat de knoflook en kruisen werden verwijderd en de vampiers eb weerwolven hun slag konden slaan. De volgende maand als er weer volle maan was, zou het gebeuren, dan zou het dorp Ustunil een spookdorp worden, waar alleen weerwolven, vampiers en heksen leven. Alle mensen uit het dorp wisten van niets………
Op een dag ging een 12-jarige jongen naar de boom, het was een week na de afspraak van de heksen, vampiers en weerwolven. De jongen had sinds zijn 8ste alleen maar boeken gelezen over magie. Zijn huis had geen knoflook en kruisen voor de deur of ramen hangen, maar dat wisten de weerwolven, vampiers en heksen niet. Hij kwam bij de boom aan. Overdag zag de boom er nog steeds eng uit. De jongen klopte op de boom. Het klonk hol! Er zal toch wel ergens een gaatje zitten, waarbij je naar binnen kon kijken? De jongen die Hendrik heette, ging helemaal om de boom heen en ja hoor……….., hij zag een gat! Het gat was behoorlijk groot, want hij kon zijn hand erdoor steken. Voorzichtig stak hij zijn hand erin, en hij voelde iets. Het was een soort pijp, maar het voelde slijmerig aan. Wat was dat nou weer? 'Jakkes' zei Hendrik. Hij trok de pijp uit het gat. En inderdaad het was een pijp, maar hij zat helemaal onder het zwarte slijm. 'Jakkes' zei Hendrik weer. Hij schudde met de pijp, en hij hoorde iets rammelen. De pijp had aan alle uiteinden een dop. Hendrik trok aan één van de doppen en de dop schoot los. Hij schudde de pijp ondersteboven en er viel een opgerold papiertje uit. Dit stond erop:
Astamazika
Halaminaza
Zokamanaha
Hindakala
Zoekarama
Knoflookakruis
Diekadeuraraam
Het was bijna niet leesbaar, maar toch kon Hendrik de letters ontcijferen. ' Dit lijkt toevallig op een spreuk om het knoflook en de kruisen van de ramen en deuren te verwijderen' dacht Hendrik. Hij nam het papier mee naar huis om het de bestuderen. De pijp die onder het slijm zat legde hij weer terug in het gat. Daarna liep hij met een gepikeerd gezicht terug naar zijn huis in het dorp. Thuis schreef hij de woorden met gewoon handschrift op een ander blaadje en sprak de woorden achter elkaar uit: 'astamazika, halaminaza, zokamanaha, hindakala, zoekarama, knoflookakruis, diekadeuraraam.' Hendrik had het heel zachtjes uitgesproken, anders zou misschien de spreuk werken. Hij borg het blaadje met de vreemde spreuk en het blaadje met de spreuk die hij zelf had geschreven in zijn bureaula, waar een slot op zat. Zo kon niemand erbij, maar daar vergiste hij zich in………
Een heks, Griselda, ging terug naar de zwarte boom 2 dagen voor het volle maan was, om de spreuk te halen. Ze voelde met haar verschrompelende hand in het gat van de zwarte boom, en pakte de slijmerige pijp eruit. Ze haalde de dop eraf en schudde de pijp ondersteboven, maar…….., er kwam niets uitvallen. 'Huh' zei de heks, en met een groene rookwolk, een flits en een knal, was ze verdwenen. De pijp had ze tijdens haar schrik laten vallen en daar laten liggen, dat was niet de bedoeling. Ondertussen had de heks zich getoverd naar de andere heksen, die in een oud huis (waar men zei dat het spookte) zaten te babbelen met elkaar. Met een groene rookwolk, een flits en een knal kwam Griselda uit het niets tevoorschijn. 'Luister allemaal' zei Griselda. 'We hebben een ernstig probleem' 'Oh jeetje, wat is er dan?' zeiden de andere heksen. 'De spreuk is weg!' zei Griselda. 'Maar dat kan toch niet' zei Anasta, een andere heks. 'Het is weg, en ik kan het niet meer vinden, het zit niet in de zwarte pijp van de zwarte boom' zei Griselda. 'We moeten het de weerwolven en vampiers vertellen' zei Anasta. 'Wij gaan wel' riepen de andere heksen in koor. 'We gaan allemaal' zei Griselda. 'Kom allemaal, we gaan per bezem, want de roflikna* is verspilling. Het gebruikt teveel brandstof.' Zei Griselda. *rook, flits, knal.
Het hoofd van de weerwolven, Dhr. Wolfstronk en het hoofd van de vampiers, Dhr. Vampire, waren geschrokken en daarna woedend. 'We moeten het nu meteen zoeken' snauwde Dhr. Vampire. Ze gingen gelijk op zoek, namen een vorm aan van een gewoon mens, en klopten aan de deuren in het dorp. Ze vroegen vriendelijk; 'Heeft u misschien een papier gevonden met vreemde woorden?'. De mensen antwoordden dan 'nee'. Griselda kwam langs het huis van Hendrik en klopte aan. Het viel haar op dat het huid geen knoflook en kruisen voor de deur en ramen had hangen. De moeder van Hendrik deed open, en zei ook 'nee' op de vraag die Griselda stelde. Griselda ging weer weg, maar ze had een vreemd gevoel bij dat huis, alsof het leek dat de spreuk in dat huis zat.
's Avonds in bed dacht Hendrik weer aan de spreuk. Hij keek op de wekker waarop 24.00 stond. 'Is het al zo laat?' dacht Hendrik. Morgenavond zouden de vampiers, heksen en weerwolven hun slag slaan, maar dat wist Hendrik niet. Hij ging aan zijn bureautafel zitten, want hij kon toch niet slapen. Hij opende de bureaula met een sleutel en pakte de twee blaadjes met de spreuk. Ook pakte hij een spreukenboek uit de la. De la werd weer dichtgeschoven en Hendrik sloeg het spreukenboek open. Hij bladerde door het spreukenboek, totdat hij bij een bladzijde kwam, waar een spreuk stond, die verdacht veel op de spreuk leek van de zwarte boom. En inderdaad, het was de spreuk van de zwarte boom. Op de bladzijde stond ook nog een verhaal over de spreuk. De spreuk was om het knoflook en kruisen van de deuren en de ramen te verwijderen. Alleen heksen kenden de spreuk. Een paar heksen waren in bezit van de spreuk, waaronder: Tanja Hassel, Griselda de Huis, Fladmir Koen en Sike van Dal. Fladmir was al gestorven, doordat zij een heks en tegelijkertijd een vampier wilde zijn. Ze had een spreuk gevonden om een heks en een vampier te zijn, maar de spreuk was mislukt. Ze ging dood en de spreuk ging verloren. De andere heksen leven nog. Tanja Hassel woont in de bergen van Zwitserland. Griselda de Huis woont in een huis, samen met andere heksen, dichtbij het dorpje Ustunil. Fladmir Koen woonde in Frankrijk en de woonplaats van Sike van Dal is onbekend. ' Het kan niet anders, hier zit Griselda de Huis achter!, zij heeft de spreuk in haar bezit' riep Hendrik. Maar wat kon hij doen? Het was midden in de nacht totdat hij tot deze ontdekking kwam. Hij moest ervoor zorgen dat niemand de spreuk kon uitspreken, anders zijn we verloren. Hendrik ging verder met lezen op de bladzijde. Wat er ook stond was: "De spreuk werkt alleen bij volle maan, als de vampiers, weerwolven en heksen bijeen zijn, bij een stuk natuur, waar het gevaarlijk is volgens de mens. Alleen dan werkt de spreuk. De spreuk kan alleen één keer op één nacht, als het volle maan is worden uitgesproken, anders werkt de spreuk niet". 'Dan is er maar één ding wat ik kan doen' dacht Hendrik, nadat hij klaar was met lezen. ' De spreuk verborgen houden totdat het volle maan was' Hij kon natuurlijk ook het papier in stukjes scheuren of knippen, maar dan kon één van de heksen het met een simpele spreuk weer in elkaar zetten. Wat hij ook kon doen, was de spreuk verbranden, maar hoe? Zijn ouders kunnen het zo ontdekken en hen liet hij er liever buiten. Ze geloven het toch niet. Hij borg de spreuk en het spreukenboek weer op in de la, en sloot de la goed af. De sleutel borg hij op, diep onder de aarde van de plantenbak in zijn kamer. Daarna stapte hij gerust en een beetje ongerust in zijn bed, want hij wist niet wat er ging gebeuren. De volgende dag werd hij met een geeuw wakker, vanavond zou het gebeuren, maar gebeurd het wel?, Hendrik had immers de spreuk goed verstopt.
Ondertussen zaten de andere heksen druk te zoeken naar de spreuk. Ze zochten op raarste plekken; in een spinnenweb, tussen het haar van de andere heksen, in prullenbakken, op lege tafels en nog veel meer. Het was een drukte van jewelste in het huis van Griselda de Huis. Tijdens de andere heksen gingen zoeken, ging Griselda terug naar het huis, waar ze de vorige dag iets had gevoeld. Ze ging om het huis heenlopen, en gluurde via de ramen naar binnen. Ze zag een vader, een moeder en een jongen aan een tafel ontbijten. ' Misschien kan die jongen mij wat meer vertellen' dacht Griselda. ' Hij lijkt mij precies zo'n type, die zijn neus in andermans zaken steekt. ' Met een spreuk had ze zichzelf in een mooie jongedame veranderd, met een koffertje vol spreukenboeken. Ze ging wachten achter een boom, tot de jongen naar buiten kwam.
Om een uur of elf, kwam Hendrik fluitend naar buiten, op weg naar het park, waar Griselda achter een boom op hem zat te wachten. Fluitend liep hij naar een bankje en ging zitten. Opeens zag hij een vrouw met een koffertje aanlopen, die naast hem ging zitten op het bankje. 'Hallo jongeman' zei ze vriendelijk. 'uhh, hallo' zei Hendrik verbaasd. Hij had deze vrouw nog nooit eerder gezien. 'Ik heb een paar vragen' zei de vrouw. 'o' zei Hendrik. 'Het gaat over spreuken' zei de vrouw, en de eerste vraag is; wat vind je bijzonder aan spreuken?' Voordat Hendrik een antwoord kon geven, was de vrouw al bezig met de tweede vraag; 'Heb je nog een bijzondere spreuk gevonden, jongeman?' De eerste vraag was waarschijnlijk niet zo belangrijk, maar deze vraag blijkbaar wel, want de vrouw wachtte op zijn antwoord. 'Pardon, wat was de vraag ook alweer?' vroeg Hendrik. De vrouw werd een beetje ongeduldig en zei; 'Heb je nog een bijzondere spreuk gevonden?' 'Zou hij nou over die spreuk, of niet?, nee ik doe het niet' dacht Hendrik. 'Nee, hoezo?' antwoordde hij. 'Nee. Zomaar' zei de vrouw. 'Dan houdt het op, ik ga verder goedendag!' en weg was ze. 'Wat een rare vrouw was dat' dacht Hendrik, en hij ging weer naar huis.
Het was 7 uur 's avonds. Hendrik was net klaar met eten. Hij keek of de la nog op slot zat, en ging op bed zitten om een boek te lezen. Het boek heette: 'Nooit de buren bijten' van Paul van Loon. Hij had het gisteren uit de bieb gehaald. Hij sloeg de eerste bladzijde open, maar kon zich niet concentreren op wat er stond. Hij borg het boek weer op naast zijn bed, en ging naar beneden.
Griselda wist op één of andere manier dat die spreuk bij die jongen zat. Ze had iedereen bijeen geroepen, ook de weerwolven en vampiers. 'Ik weet waar de spreuk is' zei Griselda. 'Het ligt in het huis van een jongen op nr. 84 in de Hoekstraat. 'We gaan er nu heen om de spreuk te halen, Dhr. Vampire, Dhr, Wolfstronk en ik, lopen voorop.
Via het raam gingen ze naar binnen. Ze kwamen uit in een kamer, waar een tweepersoonsbed stond, een nachtkastje, waarop nagellak, lippenstift en oogschaduw stond en nog wat kleren. Ze gingen door de deur naar de gang, en kwamen bij een deur waarop 'Hendrik's kamer' opstond. Ze gingen door de deur naar binnen en zagen een jongensbed, een klerenkast, een bureautafel en een nachtkastje. Ze wrongen zich allemaal de kamer in en gingen zoeken. Een weerwolf zag een boek liggen, en pakte het op. Er stond 'Nooit de buren bijten' door Paul van Loon. 'Grauw' gromde hij, en sloeg het boek open. Hij ging zitten en bladerde het boek door. 'WOLGANG, OPSTAAN!' riep Griselda. De wolf schrok en liet het boek vallen, hij ging gauw verder met zoeken. 'Ik heb het!' riep een vampier. Griselda beende zich een weg tussen de menigte door, en kwam bij de vampier, die een sleutel in zijn hand had. 'Hier kan het in' werd er geroepen. Een kleine vampier stond bij de la van de bureautafel. De vampier liep gauw naar de kleine vampier toe en stak de sleutel in het slot. Het paste, en de la ging open. De vampier zag de spreuk en pakte het uit de la. 'We hebben het' juichte hij. Iedereen joelde door elkaar, maar niet voor lang, want ze hoorden iemand de trap opkomen naar boven! Ze wrongen zich door het raam en plofte op de tegels. Snel renden ze weg tussen de bomen. Hendrik, die net boven was gekomen, liep naar zijn kamer. Hij schrok zich rot. Het was een hele puinhoop!, alles was overhoop gehaald!. En, huh, de la was open, en de spreuk was weg! Hendrik ging gelijk naar beneden, door de voordeur naar buiten, en kwam hijgend tot stilstand achter een boom, die een 3 meter van de zwarte boom lag. Hij zag vuur en hij zag heksen, vampiers en weerwolven die om het vuur dansten