Uitspraak van verwijderd op zaterdag 16 juni 2012 om 02:56:
en waarom
Uitspraak van verwijderd op zaterdag 16 juni 2012 om 02:56:
tis alleen dat je weinig toevoegt
In 373 had de toen negentienjarige Augustinus een eerste opvallende bekeringservaring beleefd. Het lezen van een werk van Cicero - Hortensius, later verloren gegaan - had in hem een ingrijpende verandering teweeg gebracht, die hij naderhand zelf als volgt beschrijft: "Naar U, Heer, deed hij mijn gebeden opgaan ... Ik begon overeind te komen om naar U terug te keren ... Welk een vuur brandde in mij, o mijn God, welk een vuur om wat aards is achter mij te laten en mij naar U te verheffen" (Conf. III, 4, 7-

. Voor de jonge Afrikaan, die als kind het zout had ontvangen dat hem tot catechumeen maakte, was het duidelijk dat zich tot God bekeren betekende Christus aanhangen; zonder Christus kon hij God niet werkelijk vinden. Van Cicero ging hij dus naar de bijbel, en werd diep teleurgesteld: hij slaagde er niet in om in de moeilijke wettelijke voorschriften van het Oude Testament, in de ingewikkelde en soms wrede verhalen daaruit, de Wijsheid te herkennen waarnaar hij op zoek was. Op zijn zoektocht kwam hij in aanraking met mensen die een nieuw geestelijk christendom verkondigden, een christendom dat het Oude Testament minachtend afdeed als in geestelijk opzicht gebrekkig en weerzinwekkend; een christendom waarvan de Christus het getuigenis van de Hebreeuwse profeten niet nodig had. Deze mensen spiegelden een christendom voor van de eenvoudige en zuivere rede, een christendom waarin Christus de grote illuminator was die de mensen tot ware zelfkennis bracht. Het waren de manicheeërs.1
Weliswaar bleek de grote belofte van de manicheeën vals, maar het probleem was daarmee niet opgelost. Augustinus kon zich pas tot het christendom van de katholieke Kerk bekeren, toen hij dankzij Ambrosius een interpretatie van het Oude Testament had leren kennen waarin de relatie duidelijk werd gemaakt tussen de bijbel van Israël en Christus, en aldus daarin het licht zichtbaar werd van de Wijsheid die hij zocht. Niet alleen werd toen de uitwendige hinderpaal overwonnen van de onbevredigende literaire vorm van de oude Latijnse bijbel, maar eerst en vooral de inwendige belemmering van een boek dat niet langer alleen maar een document leek te zijn uit de godsdienstige geschiedenis van een bepaald volk met al zijn zwakheden en dwalingen, maar de stem bleek te zijn van de Wijsheid die zich tot alle mensen richtte en van God kwam. Het op die manier lezen van Israëls bijbel, waarbij men in de daarin beschreven historische ontwikkelingen Christus en tegelijk ook de Logos, de eeuwige Wijsheid zelf, ziet oplichten, was niet alleen van doorslaggevende betekenis voor de geloofsbeslissing van Augustinus, maar lag en ligt ook ten grondslag aan de geloofsbeslissing van de Kerk in haar geheel.
Maar is deze manier van lezen ook waar? Is ze ook nu nog aan te tonen en houdbaar? Vanuit het oogpunt van de historisch-kritische exegese schijnt, althans op het eerste gezicht, alles daartegen te pleiten. Zo heeft in 1920 de vooraanstaande liberale theoloog Adolf Harnack de volgende stelling geponeerd: "Het Oude Testament verwerpen was in de tweede eeuw een vergissing (toespeling op Marcion) die de grote Kerk terecht heeft afgewezen; het bewaren ervan in de zestiende eeuw was een noodlottigheid waaraan de Hervorming zich nog niet kon onttrekken, maar het sinds de negentiende eeuw in het protestantisme als een canoniek document handhaven ervan met dezelfde betekenis als het Nieuwe Testament is het gevolg van een religieuze en kerkelijke verlamming."2
Heeft Harnack gelijk? Op het eerste gezicht schijnt er veel voor te zeggen. Ook al heeft de exegese van Ambrosius voor Augustinus de weg naar de Kerk geopend en is ze in haar fundamentele gerichtheid - maar natuurlijk in zeer verschillende mate met betrekking tot de details - de grondslag geworden van het geloof in het tweeledige en toch éne woord van God in de bijbel, toch kan men meteen tegenwerpen: Ambrosius had deze exegese geleerd in de school van Origenes, die haar het eerst methodisch had ontwikkeld. Maar, voegt men eraan toe, Origenes had alleen maar op de bijbel de methode toegepast van allegorische interpretatie die in de Griekse wereld gebruikt werd om de religieuze geschriften van de oudheid uit te leggen, met name die van Homerus; hij had dus niet alleen een hellenisering tot stand gebracht die haaks stond op het bijbelwoord, maar zich ook bediend van een in zich niet betrouwbare methode omdat deze uiteindelijk tot doel had om iets als sacraal te blijven beschouwen wat in feite een getuigenis was van een cultuur die geheel tot het verleden behoorde. - Maar zo eenvoudig is het niet. Meer nog dan op de exegese van Homerus door de Grieken kon Origenes voortbouwen op de interpretatie van het Oude Testament die in joods milieu haar oorsprong had, met name te Alexandrië met Philo voorop, en die op geheel eigen wijze de Grieken trachtte in te wijden in de bijbel van Israël; over het veelgodendom heen waren de Grieken namelijk al sinds lang op zoek naar de enige God, en deze konden zij vinden in de bijbel. En Origenes heeft onderricht ontvangen bij de rabbijnen. Uiteindelijk heeft hij heel eigen christelijke beginselen uitgewerkt: de inwendige eenheid van de bijbel als criterium voor de interpretatie, Christus als het brandpunt waarheen alle wegen van het Oude Testament leiden.3
Hoe men op ondergeschikte punten ook moge oordelen over de exegese van Origenes en Ambrosius, uiteindelijk berustte ze niet op de hellenistische allegorie, noch op Philo, en ook niet op de rabbijnse methoden. In eigenlijke zin berustte ze - afgezien van details in de interpretatie - op het Nieuwe Testament zelf. Jezus van Nazaret heeft er aanspraak op gemaakt dat Hij de ware erfgenaam was van het Oude Testament - 'de Schrift' - en er de uiteindelijke interpretatie van kwam brengen, een interpretatie die zeer zeker niet op de wijze was van de geleerden, maar voortkwam uit het gezag van Hem zelf die deze interpretatie gaf: "Hij onderrichtte hen als iemand met (goddelijk) gezag, en niet als de schriftgeleerden" (Mc 1,22). In het verhaal over de Emmaüsgangers ziet men deze pretentie opnieuw: "Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had" (Lc 24,27).
De schrijvers van het Nieuwe Testament hebben deze pretentie tot in detail trachten te onderbouwen, Matteüs met grote nadruk, maar Paulus evenzeer, waarbij deze gebruik maakte van de rabbijnse interpretatiemethodes, en hij trachtte aan te tonen dat deze door de schriftgeleerden ontwikkelde methode naar Christus leidde als sleutel van de 'Geschriften'. Voor de schrijvers en grondleggers van het Nieuwe Testament is het Oude Testament eenvoudigweg 'de Schrift'; pas daarna kon de Kerk in wording geleidelijk een canon opstellen van het Nieuwe Testament welke op dezelfde wijze een heilige Schrift vormde, maar daarbij steeds uitgaande van de vooronderstelling dat hetzelfde geldt voor de bijbel van Israël, de bijbel van de apostelen en hun leerlingen; pas dan wordt deze het Oude Testament genoemd, waarvan de interpretatiesleutel geleverd wordt door het Nieuwe Testament.
In die zin hebben de Kerkvaders met hun christologische interpretatie van het Oude Testament niets nieuws gedaan; ze hebben alleen verder ontwikkeld en gesystematiseerd wat ze zelf reeds in het Nieuwe Testament aantroffen. Deze synthese die voor het christelijk geloof fundamenteel is, zou problematisch worden op het moment dat het historisch besef interpretatieregels ontwikkelde in het licht waarvan de exegese van de Kerkvaders als onhistorisch, en dus als objectief niet te verdedigen, zou worden beschouwd. In de context van het humanisme en zijn nieuw historisch besef, maar vooral in samenhang met zijn rechtvaardigingsleer ontwikkelde Luther een nieuwe formule voor de relatie tussen de twee gedeelten van de christelijke bijbel; deze formule is niet langer gebaseerd op de innerlijke harmonie tussen het Oude en het Nieuwe Testament, maar op hun in wezen dialectische tegenstelling vanuit heilshistorisch en existentieel oogpunt bezien tussen Wet en Evangelie. Bultmann heeft deze fundamentele benadering op een moderne manier onder woorden gebracht, toen hij zei dat het Oude Testament in vervulling is gegaan in Christus in zijn falen. Radicaler is de hierboven vermelde uitspraak van Harnack. Voor zover ik kan nagaan is deze nauwelijks door iemand overgenomen, maar ze lag geheel in de lijn van een exegese waarvoor de teksten uit het verleden ieder voor zich geen andere betekenis kunnen hebben dan die welke de schrijvers op dat bepaalde moment in de geschiedenis ermee bedoelden. Voor het modern historisch besef is het geheel onaannemelijk dat de schrijvers uit de eeuwen vóór Christus die in de boeken van het Oude Testament aan het woord zijn, op voorhand zouden hebben willen verwijzen naar Christus en naar het geloof van het Nieuwe Testament.
Bijgevolg scheen de zegepraal van de historisch-kritische exegese de ondergang in te luiden van de christelijke interpretatie van het Oude Testament die door het Nieuwe Testament zelf in gang was gezet. Zoals we zagen gaat het hierbij niet om een bijkomstige kwestie; de grondslagen zelf van het christendom worden ter discussie gesteld. Men begrijpt dan ook waarom niemand de uitspraak van Harnack heeft willen volgen om nu eindelijk voorgoed te breken met het Oude Testament, zoals Marcion voortijdig had willen doen. Wat men dan zou laten bestaan, ons Nieuwe Testament, zou in zich zonder betekenis zijn. Het document van de Pauselijke Bijbelcommissie, waarop dit voorwoord een inleiding is, verklaart hierover: "Zonder het Oude Testament zou het Nieuwe Testament een niet te ontcijferen boek zijn, een plant, van haar wortels beroofd en gedoemd te verdorren" (84). Hier ziet men voor welke grootse taak de Pauselijke Bijbelcommissie zich geplaatst zag, toen ze besloot de relatie tussen Oud en Nieuw Testament te gaan bespreken. Wil men een uitweg vinden uit de door Harnack beschreven impasse, dan kan dit alleen maar gebeuren door de notie te verbreden en te verdiepen van een interpretatie van historische teksten die in onze tijd te verdedigen valt tegenover de visie van de liberale intellectuelen, en die met name toegepast kan worden op de tekst van de bijbel die wij in geloof als het Woord van God hebben ontvangen. In die richting zijn er in de laatste decennia belangrijke bijdragen geleverd.
De Pauselijke Bijbelcommissie heeft de kern van haar inbreng uiteengezet in haar in 1993 gepubliceerde document De interpretatie van de bijbel in de Kerk. Het inzicht dat de taal van de mens meerdere dimensies heeft en niet gefixeerd blijft op één bepaald punt in de geschiedenis maar ook op de toekomst betrekking heeft, hielp beter te begrijpen hoe het Woord van God zich bedienen kan van mensenwoorden om aan een voortschrijdend verhaal een betekenis mee te geven die verder gaat dan het actueel moment, en toch juist op die manier de eenheid schept van het geheel. Uitgaande van hetgeen het vorig document bracht en steunend op zorgvuldige methodologische overwegingen heeft de Bijbelcommissie nagegaan welke relatie er bestaat tussen de verschillende grote thematiekclusters van de twee Testamenten, en is tot de slotsom gekomen dat de christelijke hermeneutiek van het Oude Testament weliswaar grondig verschilt van die van het jodendom, maar "toch in overeenstemming is met een betekenis die in aanleg in de teksten werkelijk aanwezig is" (64). Dat is een uitkomst die mij van groot belang lijkt voor de voortzetting van de dialoog, maar ook en vooral voor de onderbouwing van het christelijk geloof.
Bij haar werk kon de Bijbelcommissie het gebeuren van onze tijd niet buiten beschouwing laten: door de schok van de Shoah is ieder vraagstuk in een ander licht komen staan. De twee belangrijkste problemen zijn: kunnen de christenen na alles wat er gebeurd is, nog in alle gemoedsrust er aanspraak op maken de wettige erfgenamen te zijn van de bijbel van Israël? Zijn ze gerechtigd door te gaan met een christelijke interpretatie van die bijbel, of zouden ze niet liever respectvol en nederig moeten afzien van een pretentie die in het licht van wat er gebeurd is, toeëigening moet lijken? De tweede vraag zit aan de eerste vast: heeft de manier waarop het Nieuwe Testament zelf de joden en het joodse volk voorstelt niet bijgedragen tot het scheppen van een vijandigheid tegen het joodse volk die een steun betekende voor de ideologie van hen die Israël wilden vernietigen? De Bijbelcommissie heeft beide vragen onder ogen gezien. Het is duidelijk dat een verwerpen van het Oude Testament door de christenen, niet alleen, zoals we hierboven zeiden, het christendom zelf zou vernietigen, maar bovendien de positieve relatie tussen christenen en joden niet zou kunnen bevorderen, aangezien zij daardoor hun gemeenschappelijke basis zouden verliezen. Wat echter uit hetgeen gebeurd is moet voortvloeien is een nieuw respect voor de joodse interpretatie van het Oude Testament. Hierover zegt het document twee dingen. Allereerst verklaart het dat "het mogelijk is de bijbel te lezen zoals de joden dat doen, en dat dit in de lijn ligt van de joodse Heilige Schriften uit de tijd van de Tweede Tempel, een wijze van lezen die analoog is aan die van de christenen en die zich parallel daaraan heeft ontwikkeld" (22). Het document voegt eraan toe dat de christenen veel kunnen leren van de joodse exegese die meer dan 2000 jaar werd beoefend; van de andere kant mogen de christenen hopen dat de joden hun voordeel kunnen doen met het wetenschappelijk onderzoek van de christelijke exegese (t.a.p.). Ik denk dat deze analyses zeer nuttig zullen zijn voor de voortzetting van de dialoog tussen joden en christenen, en ook voor de innerlijke vorming van het christelijk zelfbewustzijn.
De wijze waarop de joden worden voorgesteld in het Nieuwe Testament wordt in het laatste gedeelte van het document besproken; de 'anti-joodse' teksten worden zorgvuldig toegelicht. Ik zou hier alleen een aspect willen benadrukken dat mij bijzonder belangrijk toeschijnt. Het document toont aan dat de tot de joden gerichte verwijten in het Nieuwe Testament niet groter in aantal of heftiger zijn dan de beschuldigingen tegen Israël in de Wet en de profeten, dus binnen het Oude Testament zelf (87). Ze horen tot de profetische taal van het Oude Testament en moeten dus verstaan worden zoals de uitspraken van de profeten: ze waarschuwen tegen actuele afdwalingen, maar zijn in wezen altijd tijdelijk van aard en laten ook altijd nieuwe heilsmogelijkheden doorschemeren.
Ik zou de leden van de Bijbelcommissie willen danken en mijn erkentelijkheid willen uitspreken voor hun moeilijk werk. Uit hun gedurende verscheidene jaren geduldig volgehouden besprekingen is dit document voortgekomen dat naar mijn vaste overtuiging een kostbare hulp zal zijn bij de studie van een centrale vraag van het christelijk geloof, en ook voor het zo belangrijk streven naar een nieuw onderling begrip tussen christenen en joden.
*Genoeg tekst nu ?*