Alsjeblief X-es
in alfabetische volgorde, gelijk ook je volgende 23 vragen beantwoord. Volgens mij heb ik dezelfde bron voor de antwoorden als jij voor je vraag... ofnietan?
A capella
Zang, zonder instrumentale begeleiding
A tempo
Het begintempo weer terug na een tempoverandering
Accelerando
Tempoaanduiding. Versnellen
Adagio
Tempoaanduiding. Langzaam
Agnus dei
Latijn: Het lam Gods. Misdeel.
Akkoordschema
Letternotatie voor begeleidingsinstrumenten.
Aleatoriek
Bij elektronische muziek.Toevalsmuziek. Oud voorbeeld: dobbelsteenmenuet van W.A. Mozart
Allegro
Tempoaanduiding. Snel
Allemande
Oorspronkelijk= Duitse dans. Openingsdans van de 17e/18e eeuwse suite. In een rustige tweedelige maatsoort.
Alt
Letterlijk: hoog. Vroeger hoge mannenstem (altus). Nu lage vrouwenstem. Ook aanduiding voor hoogte van een instrument uit een groep. B.v. altblokfluit.
Alteratie
Tijdelijke verhoging of verlaging van een noot die leidt tot een kleurverandering van de muziek, niet tot modulatie.
Andante
Tempoaanduiding. Gaande
Antifonaal
Wisselzang. Groep antwoord op voorzanger. Bv. in een katholieke mis. Vgl. responsoriaal.
Anti-metrische figuur
Ritmische figuur dat tegen het metrum van een maatsoort ingaat. Bv. triool, duool, hemiool.
Arco
Italiaans: boog. Aanduiding voor strijkinstrument. Met strijkstok spelen, meestal na pizzicato.
Aria
Compositie voor solozang, begeleid door instrument of orkest. Meesal onderdeel van een cantate, opera of oratorium.
Arpeggio
De tonen van een akkoord vlak na elkaar spelen i.p.v. tegelijk
Atonaal
Atonale muziek. Muziek zonder vast tooncentrum. Begint in de westerse kunstmuziekbij de tweede Weense school. Vgl. tonaal
Avant-garde
Frans: Voorhoede.
Barok
Stijlperiode van ± 1600 tot 1750. Kenmerken: veel gebruik van sequensen, basso continuo, versieringen.
Bas
Letterlijk: laag. Lage mannenstem. Ook aanduiding voor hoogte van een instrument uit een groep. B.v. basblokfluit.
Basso continuo
Letterlijk: Doorgaande bas. Instrumentatievorm uit de Barok. Begeleiding bij aria's en soloconcerten. Gespeeld door snaarinstrumenten. Clavecimbel, luit, Viola da gamba e.d. Vroeger genoteerd als becijferde bas.
Beat
De ritmische puls.
Bebop
Jazz-stijl, 1940-1955
Combo. Ontstaan na de bigband, drummer belangrijker, bas basis van de beat, piano alleen steunakkoorden. Verbreding van de samenklank met uitgebreidere akkoorden.
Bel-canto
Italiaans: Mooi gezang. Mooi zingen om de klank zelf.
Bicinium
Tweestemmige a capella compositie. Polyfoon.
Bigband
Orkestsamenstelling.
Blue note
Te laag geintoneerde toon, meestal de terts.
Bolero
Spaanse dans. Matig tempo. Driekwartsmaat. Vaak met zestiende noten in triolen.
Bourdon
Begeleidingsakkoord in bepaald ritme wat de hele tijd klinkt bij een melodie. Meestal een kwint.
Bourrée
Oorspronkelijk dans uit de Auvergne. Snelle reidans.Tweedelige maatsoort.
BPM
Braziliaanse Pop Muziek. Vermenging van Westerse pop en Brasiliaanse traditie (jullie maar denken dat 't beats per minute was, whahahaha

)
Break
Onderbreking van het spel gedurende een aantal maten. Alleen de solist speelt door.
Bridge
Onderdeel van een popsong. Doorbreekt de afwisseling Refrein, couplet, refrein enz.
C-sleutel
Verplaatsbare muzieksleutel vooraan de balk. Staat meestal op de 3e lijn. Wordt gebruikt bij notatie van muziek voor o.a. altviool.
Cadens
Slot harmonieën. Autenthiek: Dominant > Tonica. Plagaal: Sub-dominant > Tonica
Cadens
Deel van een soloconcert waarbij de solist onbegeleid laat horen wat hij kan.
Call and response
Antifonaal gezang, in de negerkerken bij het zingen van Gospels.
Canon
Polyfone compositievorm waarbij imitatie consequent wordt volgehouden.
Cantate
Meerdelig vokaal instrumentale compositie. Meestal religieuze tekst.
Cantus firmus
Latijn: Sterk gezang. Oorspronkelijk Gregoriaans gezang wat verwerkt is in een nieuwe compositie.
Cesuur
Onderbreking van de muziek als een nieuwe zin of een nieuw gegeven gaat beginnen.
Chaconne
Compositie met een thema van hoogstens acht maten in driedelige maatsoort wat alsmaar herhaald wordt. Het thema begint in de bas maar komt ook in andere stemmen voor.
Chanson
Frans lied in de landstaal. 16e eeuw: wereldlijk werk voor meerstemmig koor. Later ook volkslied. Tegenwoordig ook Frans cabaretlied
Chorus
1 refrein
2 het akkoordenschema in zijn geheel
3 Solo (op een akkoordschema)
Chromatiek
Het gebruik maken van halve-toonsafstanden door middel van verhogingen of verlagingen van de tonen uit een diatonische toonladder.
Close harmony
Een samenklank opbouw waarbij de tonen zo dicht mogelijk bij elkaar liggen.
Cluster
Een samenklank van een aantal dicht bij elkaar liggende tonen.
Coda
Italiaans: Staart. Toegevoegd slot dat buiten de eigenlijke compositie valt.
Coloratuur
Zingen op virtuoze manier met kunstige passages en versieringen.
Combo
Zie jazzband
Complementair ritme
Het ritme van de ene partij vult het andere aan, zodat klinked het ritme 'Compleet' is
Complementaire intervallen
Het interval dat een ander interval aanvult tot het oktaaf.
Concertino
Italiaans: Klein orkest. Onderdeel van de compositievorm 'Concerto grosso'
Concerto grosso
Italiaans: Groot orkest. Hiervan is de naam van de compositievorm 'Concerto grosso' afgeleid. Kenmerk: Afwisseling tussen klein- en groot orkest.
Consonant
Volkomen consonant:reine prime, - kwart, -kwint, -oktaaf.
(geen of minimale spanning tussen de tonen)
Onvolkomen consonant: grote terts, grote sext
(Meer spanning, maar als samenklank rustgevend)
Contrafact
Nieuwetekst op een bestaande melodie
Couplet
Oorspronkelijk dansterm (dans voor twee) Afgewisseld met refrein. Gelijke melodie, telkens andere tekst.
Coupletlied
Lied dat voor iedere strofe dezelfde muziek heeft.
Courante
Oospronkelijk Franse dans. Matig snel tempo. Afwisselend 3/2 en 6/4 maat. Tweede dans van de Baroksuite.
Cover-versie
Nagebootste versie van een lied, dus door iemand anders dan de oorspronkelijke uitvoerende gezongen/gespeeld.
Credo
Misdeel. Latijn: Ik geloof
Crescendo
Dynamiek aanduiding; luider wordend.
Da Capo principe
In een aria; de gezongen delen worden afgewisselt door een instrumentaal deel.
Danssuite
Zie suite
Decrescendo
Dynamische aanduiding, zachter worden qua sterkte
Diatonisch
Afwisseling van kleine en grote secundes in een toonladder. Vgl. chromatisch
Diminuendo
Afnemend in toonsterkte
Dirty intonation
Het opzettelijk iets te hoog of te laag spelen of het vervormen van de toon.
Dissonant
Een samenklank met spanning, vragend om een oplossing
vb grote en kleine seconde, en groot en klein septiem
Dixieland
Oude stijl van Jazz, Blanke orkestjes die wesstere melodieën spelen met van oorsprong Afrikaanse ritmes.
Dodecafonie
Twaalftoonsmuziek; ieder van de twaalf halve tonen van een toonladder is even belangrijk, geen toonfuncties. Een toon mag pas een tweede keer gebruikt worden wanneer de andere elf tonen geweest zijn.
Dominant
De vijfde toon (trap) in een toonladder, die gevolgd wil worden door de tonica. Het akkoord op de zevende trap heeft ook een dominants functie.
Dominant-toonsoort
De toonsoort welke als tonica de noot heeft die voor een modulatie de dominant is.( de vijfde trap wordt dan eerste trap)
Doorgecomponeerd
Liedvorm waarbij elke strofe een andere melodie heeft.
Doorwerking
In een sonate het deel na de expositie waarin de componist 'speelt' met verschillende thema's uit de expositie.
Dubbelkorigheid
Wisselzang tussen twee (gemengde) koren, duet van twee koren
Duo
Ensemble van twee musici
Duool
Twee tellen in de tijd van drie. Zie; antimetrische figuur.
Dynamiek
De toonsterkte
Elektronische muziek
Nieuwe effecten en creaties in de muziek, nu gerealiseerd door synthesizer en computer.
Estampi
Dans of lied uit de middeleeuwen. Heeft vaak een refrein
Expositie
Het eerste deel van een sonate of een fuga, waarin de componist thema's 'exposeert' die de basis zijn voor de rest van de compositie.
Expressionisme
Stijlperiode in begin 20ste eeuw. Maatwisselingen, dissonanten, syncopen en expirimenteren met klankkleur.
F-Sleutel
Of bas-sleutel. De sleutel geeft aan op welke lijn een (lage) F staat. Deze sleutel staat bijvoorbeeld voor de "linkerhand" van de piano.
Fermate
Een verlenging van een noot, naar keuze van de uitvoerende.
Fill in
Ritmische verbinding tussen de melodische thema's van een improvisatie, meestal gespeeld door de slagwerker. Een 'Fill' bereidt een nieuwe zin, een nieuw deeltje of een nieuwe harmonie voor.
Forte
Aanduiding voor dynamiek; "Sterk" ( f )
Fortissimo
Aanduiding voor dynamiek; "Nog sterker dan forte" ( ff )
Frans rondo
Compositievorm met afwisselend refrein(rondothema) en couplet.
Vormschema: ABACADAE enz. Vgl. Weens rondo
Franse ouverture
Muzikale aankondiging van een opera (ook suites, cantates en oratoria). Bestond eerst uit enkele akkoorden. Werd later een zelfstandig geheel met drie delen. De drie delen van de Franse ouverture: langzaam-snel-langzaam. Vgl. Italiaanse ouverture.
Frasering
Het dmv articulatie doen uitkomen van de muzikale zinnen en zinsdelen.
Free Jazz 1960
Stijl, gekenmerkt door het collectieve improviseren, en op elkaar rageren. Ook het akkoordschema vervaagd.
Fuga
Meerstemmige compositietechniek, polyfoon met tamelijk vaste vorm.
Fugato
Als een fuga
Fusion, 1970
Stijl waarbij elementen van pop en jazz zijn samengevoegd.
G-sleutel
Of viool-sleutel. Muzieksleutel die aangeeft op welke lijn de noot g staat. ( Tweede van onder)
Gaillarde
Levendige snelle springdans. Driedelige maat. Synoniemen: Saltarello, Hupfauf, Triplum.
Gavotte
Oorspronkelijk Bretonse dans. Niet te snel. 2/2 maat. Komt vaak voor in de Baroksuite.
Gebroken drieklank
Drieklank waarbij de noten na elkaar gespeeld worden ipv tegelijkertijd.
Generale pauze
Een stiltemoment voor het hele orkest
Gepunkteerd
Noten, voorzien van een punt. Deze verlengd de noot met de helft van zijn waarde. Het ritme klinkt hierdoor ook 'puntiger'
Gestopt
Speelwijze voor koperblazers waarbij de beker van het instrument bijna afgesloten is.
Gigue
Oospronkelijk Ierse dans. Snel tempo. 6/8 maat. Laatste deel van de Baroksuite.
Glissando
Italiaans:Het 'glijden' naar de andere noot
Gloria
Latijn. Tweede deel van een mis. (Lofbetuiging)
Gospel
Religieuze meerstemmige liederen, ontstaan in de negerkerken. Het Bijbelverhaal in bluesvorm.
Grafische partituur
Het muziekverloop weergegeven op een andere manier, met plaatjes en andere tekens, dan het traditionele notenschrift.
Gregoriaans
Kerkmuziek, eenstemmig, a capella, met vrij ritme, in het Latijn, in de kerktoonsoorten ( Dorisch, phrygisch etc.)
Grondtoon (vgl. bv)
Het tooncentrum van een toonsoort. De toon waarin de muziek weer tot rust komt. Bij meerstemmige muziek meestal de laatste toon in de laagste stem.
Groot septiem
Interval dat zeven notennamen omsluit. Hierbinnen valt ook één kleine secunde. B.v. do-si / c-b. Vgl. klein septiem.
Grote drieklank
Opeenstapeling van twee tertsen, een grote en een kleine. B.v. Do-
mi-sol / c-e-g. Vgl. kleine drieklank.
Grote secunde
Interval dat twee notennamen omsluit. Het toonverschil is even groot als dat van twee kleine secunden. B.v. do-re / c-d
Grote sext
Interval dat zes notennamen omsluit. Hierbinnen valt ook één kleine secunde. B.v. do-la / c-a. Vgl. kleine sext.
Grote terts
Interval dat drie notennamen omsluit. Hierbinnen valt ook één kleine secunde. B.v. do-mi / c-e. Vgl. kleine terts.
Harmonie
Akkoord of de verbinding van akkoorden. Ook 'Samenklank'
Heletoonstoonladder
Verdeling van een oktaaf in 6 grote secunden
Hemiool
Verdeling van twee 3/4 (twee keer drie kwartnoten) maten in drie halve noten (drie keer twee kwartnoten). Zie: antimetrische figuur.
Herhaling
Compositietechniek.
Herstellingsteken
Voorteken dat een verhoging of verlaging van een noot ongedaan maakt
Heterofonie
Gelijktijdig klinken van een thema en een variatie daarop.
Homofonie
Klinken van harmonieën waarbij alle stemmen tegelijk hetzelfde ritme hebben. De melodieën van de afzonderlijke stemmen zijn ondergeschikt aan de harmonie. Vgl. polyfonie.
Hoofdvorm
Syn: Sonatevorm. Vorm van het eerste deel van een sonate. Expositie, doorwerking, reprise.
Imitatie
Compositiechniek. Herhaling van een motief in een andere stem.
Impressionisme
Stijlperiode 1880-1918. De muziek wordt gekenmerkt door een grote verfijning, de vorm is niet belangrijk meer. Ritme en de harmonie hebben een kleurende functie.
Improvisatie
Ter plekke laten ontstaan en uitvoeren van muziek binnen een bepaald kader, b.v. een akkoordschema
Inegalite (fr.)
Het ongelijk uitvoeren van dezelfde noten door verschillende instrumenten. Speelwijze en versieringstechniek in de Barok.
Interpretatie
Opvatting. Uitvoering van een compositie waarbij de uitvoerende met het materiaal op een persoonlijke manier omgaat.
Intro
Muzikale aankondiging voordat een stuk eigenlijk begint.
Italiaanse ouverture
Muzikale aankondiging van een opera (ook suites, cantates en oratoria). Bestond eerst uit enkele akkoorden. Werd later een zelfstandig geheel met drie delen. De drie delen van de Italiaanse ouverture: snel-langzaam-snel. Vgl. Franse ouverture.
Jazz
Muziekvorm, in Amerika ontstaan uit de blues. Toen volksmuziek. Nu min of meer klassieke muziek.
Jazzband
Ensemble van piano, (contra)bas, drums en één of meerdere solisten
Kerklied
Lied met religieuze tekst.
Kerktoonladder
Ook wel kerktoonsoort, toongeslacht of modus. Naam van een toonladder waaruit je kunt opmaken in welke volgorde grote- en kleine secunden elkaar opvolgen. Ionisch=do-ladder(majeur), dorisch=re-ladder, phrygisch=mi-ladder, lydisch=fa-ladder, myxolydisch=sol-ladder, æolisch=la-ladder (mineur)
Klankdichtheid
Mate van doorzichtigheid van een orkestklank.
Klankkleur
Door boventonensamenstelling en toonverloop bepaalde kwaliteit van klank.
Klanklaag
Duidelijk te onderscheiden klankgroep binnen een orkestklank
Klein septiem
Interval dat 7 tonen omvat. Hierbinnen vallen ook twee kleine secunden. B.v. re-do' / d-c'.´Vgl. groot septiem.
Kleine drieklank
Opeenstapeling van twee tertsen, een kleine en een grote. B.v. re-fa-la / d-f-a. Vgl. grote drieklank.
Kleine secunde
Kleinste interval in het traditionele westerse toonstelsel. Mi-fa en si-do / f-g en b-c
Kleine sext
Interval dat zes tonen omsluit waar. Hierbinnen vallen ook twee kleine secunden. B.v. mi-do' / e-c'. Vgl. grote sext.
Kleine terts
Interval dat drie tonen omsluit waar. Hierbinnen vallen ook twee kleine secunden. B.v. re-fa / d-f. Vgl. grote terts.
Kreeftgang
De melodie-volgorde van achter naar voren; Bijvoorbeeld c-d-e-f wordt f-e-d-c. (voorbeeld: kreeftcanon 'Ere zij God' van J. Haydn in 'Nederlands Volkslied' 15e druk)
Kruis
Voorteken waarmee een toon verhoogd wordt met kleine secunde. Achter de notennaam komt -is (spreek uit als ies) te staan. C wordt Cis. Vgl. mol.
Kwartet
Ensemble van vier musici
Kyrie
Latijn: Ontferm U. Eerste deel van een mis.
Largo
Italiaans: breed. Tempoaanduiding
Latin
Muziek en dansstijl ontstaan in Latijns-America Kenmerkend is het gebruik van specifice ritmes en veel percussie-instrumenten.
Legato
Articulatie aanduiding; gebonden; aangegeven met een boog boven of onder de noten. (bij fluit: in één adem, bij strijkinstrument: in één streek)
Leidtoon
Als de afstand tussen de 7e en de slottoon van de toonladder een kleine secunde is noemen we de 7e toon de leidtoon. Toon die leidt naar de grondtoon.
Lento
Tempo aanduiding
Letterschema
Schema waarin met letters de vorm van een muziekstuk wordt weergegeven.
bv. A-B-A schema. (Altijd is Kortjakje ziek)
Madrigaal
Wereldlijk lied uit de 16e eeuw in de volkstaal, afgewisselend polyfonie en homofonie. Betekenissen uit de tekst worden weergegeven in de muziek: madrigalismen. Wordt er bv. gezongen over vallen, dan daalt de melodie ook.
Majeur
Toongeslacht : Grote terts toonladder. Een van de twee kerktoonladders (Ionisch) die in de kunstmuziek van de laatste eeuwen zo'n belangrijke rol hebben gespeeld dat er een aparte naam voor is ontstaan. Vgl. mineur.
Mars
Militaire muziek om op te marcheren. Matig snel. Pompeus. Meestal tweedelig. Romantiek
Mazurka
Oorspronkeleijk Poolse springdans. Driedelig. Snel. Vaak gepunkteerde ritmen. Accent vaak op een andere dan de eerste tel.
Melismatisch
Meerdere tonen op één lettergreep (Allelu-hu-hu-hu-hu-hu-enz.-ia). Vgl. syllabisch.
Melodie
Muzikale eenheid bestaande uit melos(toonhoogte), ritme(toonduur), metrum(indeling in maten).
Melodiesectie
Term uit de Jazz; De instrumenten die de melodische lijnenspelen, onder begeleiding van de ritme-sectie.
Menuet
Franse reidans. Matig tempo. Driekwartsmaat. ABA-vorm. Vaak het derde deel van een symfonie. Weense klassieken.
Mezzo forte
Tamelijk hard.
Mezzo-piano
Tamelijk zacht.
Mineur
Toongeslacht. Kleine terts toonladder. Een van de twee kerktoonladders (Aeolisch) die in de kunstmuziek van de laatste eeuwen zo'n belangrijke rol hebben gespeeld dat er een aparte naam voor is ontstaan. Vgl. majeur.
Minimal music
Muzieksoort met karakterestieke meditatieve musiceerhouding. Kenmerk: kleine muzikale verandering in een stroom van klank.
Minnesänger
Duitse navolgers van de Trouveres. 13e eeuw.
Mis
Eigenlijk de naam van de katholieke eredienst. De vorm hievan heet liturgie. In de kunstvormen is de mis een meerdelig muziekstuk met religieuze inhoud. Latijnse tekst ontleend aan de Bijbel
Moderato
Tempo aanduiding : Matig.
Modulatie
Overgang van een toonsoort in een andere binnen een muziekstuk.
Mol
Voorteken waarmee een toon verlaagd wordt met kleine secunde. Achter de notennaam komt -es te staan. B wordt Bes.Vgl. kruis
Motet
Kort meerstemmig religieus koorstuk zonder begeleiding met Latijnse tekst.Compositie techniek ;Imiterend.
Musical
In Amerika ontstane moderne vorm van theater waarin het show element belangrijk is en waarin amusument, tekst, muziek, dans en enscenering samengaan.
Musique concrète
Muziek gebaseerd op alledaagse geluiden, uit de Avantgarde.
New Orleans jazz
Oude stijl Jazz; ontstaan uit de Blues in New Orleans. Europese melodieen, Afrikaanse ritmiek.
Notenwaarde
Lengte van een noot binnen een maatsoort, zichtbaar aan de vorm van de noot, vlaggen en waardestrepen.
Notredame-school
Belangrijk in de ontwikkeling van de meerstemmigheid (polyfonie) Introductie van gebonden ritme bij het organum. Rond 1250. Leoninus en Perotinus. Componeerden o.a. 3- en 4 stemmige organi. Driedeligheid in klank en vorm.
Omkering
1 Liggingen van een akkoord. bv van de drieklank c-e-g. Grondligging: c-e-g. Eerste omkering, tertsligging: e-g-c. Tweede omkering, kwart-sextligging: g-c-e.
2 Omkering van een melodie. Alle stijgende intervallen worden dalend en vise versa.
Opera
Toneelwerk waarin de tekst van begin tot eind gezongen wordt door solisten en koor onder begeleiding van een orkest. Meestal met veel aandacht voor kleding en decor.
Oratorium
In het midden van de 17e eeuw ontstane compositie voor solozang, koor en orkest.
Veel religieuze of mytologische onderwerpen.
Ordinarium
De vaste, gewone, (ordinair) gezangen van een mis. Bijvoorbeeld: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus (Benedictus) en Agnus Dei.
Organum
Oorspronkelijk Gregoriaans gezang begeleid met onderkwart, later bovenkwint, nog later melismatische melodie. Maakt tot aan het ontstaan van de Notredame-school net als gregoriaans gebruik van vrij ritme.
Orgelpunt
Of: pedalnote. Noot die over meerdere maten blijft liggen, waartegen verschillende, ook dissonerende akkoorden worden gehoord.
Orkestlied
Liedvorm, waarbij de zang begeleid wordt door een orkest. I.t.t. het piano-lied.
Ostinaat ritme
Italiaans: hardnekkig. Lange tijd achter elkaar herhaald ritmisch motief.
Ook mogelijk met melodisch motief.
Overgangs-dynamiek
Geleidelijke overgang van sterk naar zacht en / of omgekeerd
Parallelle beweging
Toonhoogten van twee of meer stemmen bewegen zich in dezelfde richting.
Partituur
Samenstelling in notatie van alle stemmen en instrumenten van een muziekstuk.
Partituur-stijl
Vorm van Jazz waarbij de improvisaties zijn uitgeschreven.
Passacaglia
Zie chaconne
Passie
Oratorium waarin de tekst gaat over het leidensverhaal van Christus. Wordt meestal uitgevoerd rond pasen. De bekendste is de 'Mathaeuspasion' van J.S. Bach
Pavane
Pauwendans. Statige dans. Tweedelige maat. Niet te snel. Onderdeel van de danssuite.
Pentatoniek
Verdeling van een oktaaf in vijf intervallen.
Percussie
Slagwerk
Pianissimo
Dynamiekaanduiding: zeer zacht (pp)
Piano
Dynamiekaanduiding: zacht (p)
Pizzicato
"Getokkeld" Bij strijkers; de snaar niet aanstrijken, maar "plukken" met vingers. Zie arco
Polonaise
Oorspronkelijk trage Poolse dans. Sinds 16e eeuw in tweekwartsmaat. Vanaf 18e eeuw in driekwartsmaat.
Polyfonie
Meerstemmigheid waarbij de melodie van iedere stem belangrijk is. De harmonie is ondergeschikt aan de melodie. Imitatie is een belangrijk element in polyfone composities. Vgl. homofonie
Polymetriek
Het gelijktijdig voorkomen van verschillende maatsoorten in meerstemmige muziek.
Polyritmiek
Het gecombineerd voorkomen van metrische en antimetrische figuren.
Polytonaal
Het gelijktijdig samengaan van twee verschillende toonsoorten.
Pop
Muziekstijl "populaire muziek" vanaf de 60'er jaren. (Na de Rock & Roll)
Portato
Breed, maar niet gebonden.
Presto
Tempo-aanduiding : zeer snel.
Proprium
De wisselende gezangen van een mis. Iedere dag en ieder kerkelijk feest heeft eigen teksten voor: Introitus, Graduale, Tractus, Alleluia, Offertorium, Communio.
Recitatief
Onderdeel van grote vocale vormen waarbij de solist een verhaal vertelt. Een sobere melodie met ondersteunende melodieën.
Recitativo accompagnato
Recitatief op basis van een rijker uitgewerkte begeleiding. Ook de melodie heeft een grotere zelfstandigheid.
Recitativo secco
Recitatief met als begeleiding slechts een continuo. Sobere uitwerking in enkele akkoorden.
Refrein
Telkens herhaald hoofdthema dat minstens 3x terugkomt. (rondovorm) Telkens dezelfde melodie en dezelfde tekst.
Reine kwart
Interval dat 4 tonen omvat. Hierbinnen valt ook één kleine secunde. B.v. do-fa / c-f'.
Reine kwint
Interval dat 5 tonen omvat. Hierbinnen valt ook één kleine secunde. B.v. do-sol / c-g'.
Renaissance
1450 - 1600. de verheerlijking van het wereldse en de ontwikkeling van het individualisme." Wedergeboorte" van de kunsten van de oude grieken en romeinen. Begin van de opera is eind van de Renaissance.
Reprise
(Fr. reprendre=hernemen) Laatste deel van een stuk in de sonatevorm, gebaseerd op de thema's uit de expositie. Het begin van de exposite komt hier meestal letterlijk terug.
Responsoriaal
Een wisselzang tussen twee groepen bv. in een katholieke mis. Vgl. antifonaal.
Rhythm and Blues R&B
Oorspronkelijk uit de jaren '50 . Neger muziek uit de Amerikaanse steden. Hierop baseerden de blanken later de Rock & Roll.
De R&B uit de nineties vloeit voort uit de Soul.
Riff
Een korte frase of kort motief, dat een aantal keren herhaald wordt. Komt uit de Jazz -en popmuziek, b.v. gespeeld door een groep blazers achter een solist.
Riff-stijl
Zie Riff.
Ritenuto
Tempo-aanduiding: teruggehouden.
Ritme
Toonduur in betrekking tot de tijdsduur. Verdeling van de maat in bepaalde notenwaarden.
Ritmesectie
In het orkest: de slagwerkafdeling
In een band: drums, (contra)bas(gitaar), (electr.)gitaar / piano
Rock&Roll
Muziek en dansstijl uit de jaren 50. Vermenging van toenmalige R&B en Countrymusic.
Rockjazz
Zie 'fusion'
Romantiek
Stijlperiode ±1780 tot 1910. Grote orkesten om grote emoties uit te drukken. Verheerlijking van het onvervulde verlangen.
Rondovorm
Muziekstuk waarvan het thema als een refrein steeds terug keert, terwijl de tussenstukken, de coupletten steeds verschillen.
Rumba
Cubaanse dans. Matig snel. Tweedelig. Veel syncopen.
Salsa
Dans en muziekstijl uit Brazilie
Samba
Brasiliaans/Afrikaanse dans. Snelle tweekwarts maat.
Sanctus
Latijn: heilig. misdeel.
Sarabande
Een dans van Indiaanse oorsprong. In het begin van de 16e eeuw uit Midden-Amerika geïmporteerd. Tot het einde van de 16e eeuw verboden. Uiteindelijk in gekuisde versie geaccepteerd als hofdans. Driedelig en langzaam. Derde dans van de Baroksuite
Scat
Zang improvisatie op onzinwoorden. Jabbertalk
Sequens
Onmiddelijke herhaling van een motief op een hogere of lagere toon.
Seriële muziek
Muziek gebouwd op melodische, harmonische, ritmische en dynamische reeksen.
Sinfonia
1. Een instrumentaal openingsstuk van cantate, oratorium of opera in de 17e en de 18e eeuw. 2. werk voor (barok)orkest in de 18e eeuw, bestaande uit drie delen.
Voorloper van de symfonie.
Sonate
Een compositie voor een of enkele instrumenten, in meestal 4 delen, volgens de opbouw van een symfonie. Zie ook symfonie.
Sonatevorm
Zie: Hoofdvorm
Sonatine
Kleine sonate, meestal slechts uit 2 of 3 delen betstaand. Minder ernstig dan de sonate.
Sopraan
Hoge vrouwen- / kinderstem. Omvang c' tot a'' (gestreept oktaaf)
Soul
"Zang die vertelt van de ziel"... Emotionele, indringende zang die uit de Spiritual (=geestelijk volkslied van de Noord-Amerikaanse negers) voortkomt. Wereldlijke inhoud.
Staccato
Italiaans: afgestoten. De gespeelde toon wordt meteen gestopt, kortgehouden.
Standard
Stuk uit het standaard jazzrepertoire. (Realbook)
Stemparen
Samengaan van 2 stemmen: unisono, paralel of in tegenbeweging.
Stretto
Canonachtig deel van een fuga. De thema-inzetten rollen a.h.w. over elkaar heen.
Strijkkwartet
Ensemble van 1e viool, 2e viool, altviool en cello
Sub-dominant
Of onderdominant. De 5e trap naar beneden (de 4e trap naar boven) Bv.. in C majeur de toontrap F.
Suite
Compositie met minstens vier onderdelen. Baroksuite (vooral dansen), Romantische suite (vooral korte programmastukken)
Swing, 1930
Oude Jazz-stijl met veel hopfiguren.
Syllabisch
Op iedere lettergreep uit de tekst één noot. Vgl. melismatisch.
Symfonie
Klassiek vierdelig werk voor een symfonieorkest (snel - langzaam - matig snel - snel) Het 1e deel heeft meestal als structuur de hoofdvorm; het 2e staat meestal in de liedvorm; het 3e deel is meestal een menuet, ater een scherzo; het 4e deel is vaak een rondo.
Syncope
Noten die op een licht maatdeel of onderdeel beginnen en tot over het volgende zware maatdeel voortduren. Accent op een zwak maatdeel.
Tango
Oorspronkelijk Argentijnse dans vol plotselinge bewegingen. Langzame tweedelige maatsoort. Veel lichte syncopen
Tegenbeweging
Toonhoogten van 2 stemmen die zich bewegen in tegengestelde richting.
Tel-eenheid
Onderste cijfer van de maatsoortaanduiding, geeft de naam van de notenwaarde die 1 tel duurt.
Tenor
Hoge mannenstem. Omvang c (klein oktaaf) tot a' (gestreept).
Terrassendynamiek
Plotselinge overgangen van sterk naar zacht en omgekeerd. Synoniemen: echo-dynamiek, registerdynamiek, contrastdynamiek.
Thema
Basiseenheid voor een compositie. Bestaat uit een of meerdere motieven.
Thema met variaties
Compositievorm waarbij een thema een aantal keren in veranderde, min of meer herkenbare vorm wordt herhaald. De verandering kan betrekking hebben op versiering, maatsoort, toonsoort, instrumentatie enz.
Tonaal
Bij tonale muziek hebben de tonen hebben een bepaalde functie, n.a.v. hun plaats in de toonladder. De meeste muziek die wij kennen is tonaal. Vgl. atonaal.
Tonica
Grondtoon van een toonsoort. Zie: grondtoon.
Transponeren
Een heel muziekwerk in een hogere- of lagere toonsoort zetten.
Trio
Ensemble van drie musici
Trio
Onderdeel van het menuet uit een klassieke sonate. Menuet-Trio-Menuet
Triool
Drie noten in de tijdswaarde van 2 noten. Zie antimetrische figuur.
Troubadours
Adelijke beoefenaars van het kunstlied. Ook dichters en componisten.±1100 Zuid Frankrijk.
Trouvères
Beoefenaars van het kunstlied ±1150 in noordfrankrijk en de zuidelijke Nederlanden. Zie Minnesänger en Troubadours.
Tussenspel
Instrumentaal deel tussen b.v. het couplet en het refrein.
Tutti
Italiaans: allen, iedereen. Teken in een partituur dat aangeeft dat iedere muzikant weer meespeelt of zingt.
Tweede Weense School
Groep componisten uit begin van de 20e eeuw. bestaande uit Schönberg(1874-1951), Berg(1885-1935) en Webern1883-1945).
Unisono
Gelijkheid van klank. Alle stemmen hebben tegelijk dezelfde melodie.
Variatie
Verandering, aanpassing, versiering van een thema. Zie: thema met variaties.
Verbindingsboog
Twee of meerdere tonen van gelijke hoogte kunnen worden verbonden door een verbindingsboog. Zij klinken dan als één noot van de totale waarde.
Verdubbeling
Een melodie wordt in een andere stem in parallelle oktaven meegespeeld.
Vergroting
Verandering van een melodie door haar notenwaarden te verlengen.
Verkleining
Verandering van een melodie door haar notenwaarden te verkorten.
Verse
Inleiding/intro van Jazz standerd. Engels: couplet.
Vibrato
Versiering waarbij een toon telkens een beetje verandert van hoogte.
Vivace
Italiaans: levendig.
Voorteken
Teken dat staat voor vehoging of verlaging van stamtoon. Zie Kruis of Mol.
Voortspinnen
Het voortdurend verlengen van de melodie (muziek) door een afsluiting te vermijden.
Wals
Oostenrijkse snelle draaidans. Driekwartsmaat. Zwaar accent op eerste tel. Stamt uit de romantiek
Weens rondo
Compositievorm met afwisselend refrein (rondothema) en couplet. Vormschema: ABACABA enz. Vgl. Frans rondo.
Weense klassieken
Groep componisten uit de klassieke periode omstreeks 1720 tot 1815. Haydn, Mozart en Beethoven.
Wereldmuziek
Muziek uit verschillende culturen en landen, ook wel genoemd: "niet westerse muziek."
lalalalala
