De verhouding tussen de aantallen jongens- en meisjesbaby's is niet overal en altijd hetzelfde. In moeilijke omstandigheden zakt het aandeel van de jongetjes, schrijven Ralph Catalano en Tim Bruckner deze week in Proceedings of the National Academy of Sciences. Ze zijn ervan overtuigd dat stresshormonen daarvan de schuld dragen, via het opwekken van extra miskramen. De zwakste embryo's zijn daarbij de pineut, en dat zijn dus meestal jongetjes.
De twee Californische epidemiologen vroegen zich af welk mechanisme hierachter zit. Ze hadden twee mogelijke verklaringen. Het zou kunnen dat de mannelijke embryo's zelf zwakker worden door de stress, wat de allerzwakste groep niet overleeft. Maar het kan ook zijn dat de baarmoeder in tijden van stress strenger selecteert, wat de zwakste embryo's de kop kost, maar de gezondheid van de rest niet aantast.
De gevolgen van die twee scenario's zijn verschillend. Als alle embryo's onder de stress lijden, krijgen meer jongetjes een slechte start en zal hun gemiddelde levensverwachting dus dalen. Ligt het aan een strengere selectie in de baarmoeder, dan stijgt de levensverwachting juist, omdat de jongetjes die nog wel geboren worden, gemiddeld gezonder zullen zijn. Dat idee is te controleren aan de hand van historische gegevens, bedachten de epidemiologen.
Zo gezegd, zo gedaan. Catalano en Bruckner plozen de geboorteregisters van Zweden na, die al worden bijgehouden sinds 1751. Ze wilden weten of de levensverwachting gekoppeld was aan de sekseverhouding per geboortejaar. Verder dan de geboortes van 1912 keken ze niet, want de levensverwachting kun je nu eenmaal alleen berekenen wanneer (bijna) iedereen dood is.
De resultaten pleiten voor de 'strengere baarmoeder'-uitleg, schrijven de onderzoekers. Ze noemen de extremen: mannen uit 1784, het jaar waarin relatief het minste jongetjes geboren werden, leefden 3,7 maanden langer dan je zou verwachten op basis van de levensduur van vrouwen uit dat jaar. Heren uit 1910, het jaar met de meeste jongens, leefden juist 2,9 maanden korter dan verwacht. Geen dramatische verschillen dus, maar ze zijn over het geheel genomen wel significant, aldus Catalano en Bruckner.
Zou dit nu ook voor Nederland opgaan? Een blik op de Nederlandse geboortes in de twintigste eeuw leidt onmiddellijk tot verwarring. Want wanneer was het aandeel van de jongensbaby's het grootst? Tussen 1940 en 1945, toen Nederland leed onder de Duitse bezetting. Niet bepaald een stressvrije tijd, zou je denken. Sinds die jaren is de sekseratio gestaag naar beneden geschommeld, wat volgens de aanname van de Californische epidemiologen zou moeten betekenen dat de stress onder aanstaande moeders gaandeweg toenam.
Meer miskramen door stress, waarbij vooral jongetjes het moeten ontgelden: het is nog lang niet bewezen. Dit mechanisme kan bijvoorbeeld ook niet verklaren waarom er in Groot-Brittannië zo opvallend veel jongetjes ter wereld kwamen na de Tweede Wereldoorlog. Waarschijnlijk zijn er meerdere factoren die invloed hebben. Vervuiling met hormoonverstorende stoffen gooit bijvoorbeeld ook hoge ogen.
Catalano en Bruckner richten zich in hun onderzoek vooral op stress. Zo verscheen vorig jaar een artikel van hun hand waarin ze een (zwak) verband legden tussen de aanslagen van 11 september 2001 en het aantal jongetjes dat daarna in Californië werd geboren. Historisch onderzoek in de bevolkingsregisters van Denemarken, Engeland en Wales staat op stapel. Voorlopig is het laatste woord dus nog niet gezegd over de jongens- en meisjeskwestie.
Elmar Veerman