va
Ten
vat2 (het ~, ~en)
1 ton
2 [nat.] elk lichaam dat iets kan bevatten
3 kanaal, buis in een dierlijk of plantaardig lichaam, o.a. bloedvat
va
TTen
vat·ten (ov.ww.)
1 vastpakken, grijpen
2 begrijpen
vatbaar
vat·baar (bn.)
1 gemakkelijk aangetast, besmet kunnende worden => aandoenlijk; <=> immuun
2 geschikt om te ondergaan <=> onvatbaar voor
Verveling??? welnee joh.