Afgestudeerde Windesheimers (WE) zijn te herkennen aan een specifieke wijze waarop zij mens-zijn en beroep met elkaar combineren: het zijn onderwijsmensen die levensbeschouwing (spiritualiteit), beroepsethiek (waarden en normen) en professionaliteit (vakkennis, didactiek en pedagogie

) betekenisvol en authentiek met elkaar verbinden.
Zorg voor het hart
Onze samenleving kende een lange tijd waarin het christelijk geloof als overkoepelende zingevingsysteem herkenbaar was. Maatschappelijke processen als secularisatie, individualisering en de ontmoeting met mensen met andere culturele en religieuze achtergronden hebben er toe geleid dat in de Nederlandse samenleving geen enkele godsdienst of levensbeschouwing alleen meer een bepalende invloed heeft in de opbouw van de moderne cultuur en de zingeving.
Er groeit een nieuwe generatie mensen op, die de tijd niet heeft gekend waarin de christelijke godsdienst een sterk bepalende invloed had op onze samenleving. De moderne media en de jeugdculturen maken iedere dag duidelijk dat kinderen en jongeren opgroeien te midden van een veelheid van culturen en levensbeschouwingen. Kinderen en jongeren vertonen een grote verschillen aan levensbeschouwelijke interesse en betrokkenheid en dat is ook te merken op school. Deze verscheidenheid brengen ze mee uit en in de thuissituatie en ook daar is die levensbeschouwelijke pluraliteit terug te vinden.
Het sámen zoeken en vinden van antwoorden op levensvragen is niet meer vanzelfsprekend en de persoonlijke zoektocht verloopt nogal eens alleen. De privatisering van levensbeschouwing en moraal zit diep in de (liberaliserende) cultuur. Hier en daar aanzetten zijn om te erkennen dat religie en ethiek thuishoren in het publieke domein, afgedwongen door o.a. de politiek-maatschappelijke context.
De privatisering en de vele mogelijkheden op het vlak van geloof en levensbeschouwing maken het voor kinderen en jongeren, maar ook voor onderwijsmensen zélf, niet gemakkelijker om op het terrein van zingeving tot integratie en persoonlijke keuzes te komen. We gaan ‘zappend’ op zoek naar een persoonlijk levensbeschouwelijk kader, een zingevingskader. Dat dit zingevingskader wordt verbonden met alle levensdomeinen, waaronder de professionaliteit, is niet vanzelfsprekend. En juist dáár ligt één van de grotere uitdagingen voor een opleidingsinstituut voor leraren aan Windesheim.
De westerse samenleving wordt sterk door de rede gedomineerd. De rationele benaderingswijze van de werkelijkheid is diep in de cultuur doorgedrongen en is zichtbaar op alle terreinen. Het beïnvloedt ook de levensbeschouwingen, met name de religie en godsdiensten. Een al te eenzijdige nadruk op deze benaderingswijze van de werkelijkheid kan de ontwikkeling van andere waardevolle dimensies belemmeren, waaronder het vermogen om de werkelijkheid te overstijgen, te transcenderen. Zij dreigt dan de weg af te sluiten naar de levensbeschouwelijke en naar de godsdienstige benadering van de werkelijkheid. Ook de wegen naar gevoelens en de persoonlijke verhalen die daar bij horen vragen om ruimte en zijn voor een levensbeschouwelijke en / of godsdienstige benadering van de werkelijkheid van groot belang. Wanneer de rationele benaderingswijze te zwaar leunt op de professionaliseringsprocessen verdwijnt er een meerwaarde, een kans: de totale mens als mogelijkheid, een mens met verstand, gevoelens, een wil, talenten en het vermogen te transcenderen, te verbeelden, te verwonderen.
De invloed van de postmoderne cultuur levert velen de ervaring op van gefragmentariseerd te zijn: versnippering en versplintering van het hart van de mens. Het hart van de mens omvat de gedachte, het gevoel en de wil . Onze gedachten worden heen en weer getrokken door een overvloed aan informatie. Ons gevoel staat onder de druk van de rationeel-gerichte wereld. Onze wil wordt kwetsbaar doordat onze persoonlijkheid, ons ervaren zelf, in stukken uiteen lijkt te vallen. De werkelijkheid wordt als steeds complexer ervaren en trekt ons in de vele rollen en de gemeenschappen waarin we leven uiteen in vele werelden. Al die werelden hebben betekenissen. De mens staat voor de opgave, om in al die rollen en werelden, zichzelf te blijven ervaren als een eenheid. Hoe geef je al die betekenissen, die ook nog eens snel veranderen, een plaats in jezelf zodanig dat je het als een eenheid, als een ‘constante’, als een ‘zelf’ervaart? Dat is niet makkelijk omdat de postmoderne mens, ‘wij’, onrustig leven, zonder een echte band met het verleden en met weinig zicht op morgen of op de toekomst, vaak zelfs zonder verwachtingen. Er is vooral een ‘hier en nu’, en de franse structuurfilosofen leren ons zelfs dat dit de postmoderne mens zelden verontrust. Toch is er een diepliggend verlangen naar heelheid, orde en rust . Dit geborgenheidsmotief en de eerste SBL-competentie over veiligheid hebben met elkaar te maken in een lerarenopleiding aan een christelijke hogeschool. Het is een uitdaging dat te ontwikkelen.
Een ander kenmerk van de moderne tijd is het accent op de individuele vrijheid, de autonomie van de mens: de autonomisering . De mens leert om steeds meer terreinen van zijn bestaan als zijn privé-terrein af te bakenen: moraal, seksualiteit, levensbeschouwing. Het gaat anderen niets aan wat je religieus ervaart, of wat je als goed of slecht typeert. Religie hoort thuis bij de individuele ervaring. Of: religie mag en kan als het voor het persoonlijke gevoel nuttig is.
De actualiteit in de Nederlandse samenleving haalt religie uit het private domein. Er zijn ook pedagogische argumenten om levensbeschouwingen meer publiek, zichtbaar, transparant en communicabel te laten zijn. Burgerschap omvat niet alleen een economisch, sociaal, financieel-juridisch en cultureel domein . Ook levensbeschouwelijk burgerschap is van belang, juist aan Windesheim. Levensbeschouwingen krijgen in een lerarenopleiding niet alleen aandacht omdat het culturele uitingsvormen zijn, dat óók. Het gaat dan o.a. om de publieke betekenissen van levensbeschouwingen en levensbeschouwelijke gemeenschappen. Het gaat dan om het leren óver religie en levensbeschouwing. In een lerarenopleiding gaat het daarnaast om de betekenis van levensbeschouwing en levensbeschouwelijke gemeenschappen voor de persoonsontwikkeling: leren ván religie, levensbeschouwing. Dat kan betekenen dat we de kritiek vanuit levensbeschouwingen op het (dogma van) de autonomie, de zelfregulering en zelfontplooiing doordenken op de betekenis voor de lerarenopleiding. Het kan gaan om de vraag naar de relatie tussen ‘persoon’ en ‘gemeenschap’ en de betekenis van de gemeenschap voor de persoonsontwikkeling.
Daarmee hebben we zonder volledig te zijn de complexiteit van het speelveld en enkele uitdagingen aangereikt.
De reflectie op de levensbeschouwing zou binnen PPO een plaats kunnen krijgen. De reflectie binnen PPO is vooral gericht zijn op de betekenis voor de professionaliteit. In onze benadering gaat het om een mens die méér is dan professionele mens. In die zin is het een aanvulling op de PPO-lijn.
De zorg voor het hart, is in het Nederlandse beroepsonderwijs niet vanzelfsprekend. Beroepsonderwijs tendeert in de praktijk niet zelden naar socialisering van leerlingen tot de arbeidende mens. Met de aandacht voor het hart is echter meer dan de arbeidende mens in beeld. Het gaat naast het leren ook om het ‘lernen’, om mensontwikkeling als gehele persoon, waarbij mensbeelden levensbeschouwelijk wordt gefundeerd.
Dit startdocument gaat ervan uit dat er pedagogische en levensbeschouwelijke motieven zijn om in een lerarenopleiding een bijdrage te willen leveren aan de ‘zorg voor het hart’. Het is de zorg voor de zelf-ervaren eenheid tussen gedachten, gevoelens en de wil. Windesheim Educatief gaat er van uit dat levensbeschouwingen betekenissen hebben voor die ‘zorg voor het hart’. Vanuit de institutionele identiteit gaat Windesheim er van uit dat de christelijke identiteit daarin unieke en niet exclusieve betekenissen aanreikt.