Andere films waarin de spot wordt gedreven met de oorlog
La Vita è Bella is beslist niet de eerste film waarin grappen worden gemaakt over de Tweede Wereldoorlog en ook niet de eerste film die daarom is bekritiseerd. Al toen de oorlog nog aan de gang was werden er dat soort films gemaakt. De klassieker in het genre is The Great Dictator [1940], waarin Charlie Chaplin een joodse kapper speelt die wordt aangezien voor een dictator genaamd Adenoid Hynkel. John O’Hara schreef over die film: `Geen goed moment voor komedies? Een uitstekend moment voor een komedie. Tijd voor de komedie van Chaplin.’ To Be Or Not To Be van Ernst Lubitsch [1942] met Jack Benny en Carole Lombard, gaat over een groepje Poolse toneelspelers, onder wie enkele joden, in het Warschau van 1939. De eerste keer dat we hen zien, repeteren ze een ‘realistisch drama’ getiteld ‘Gestapo’, waarin ze nazi’s spelen; als de acteur die Hitler speelt, te horen krijgt dat hij niet overtuigend is, gaat hij naar buiten om te bewijzen dat hij de mensen op straat in het echt voor de gek kan houden. Maar de eventjes verbaasde voorbijgangers zien al snel dat hij een acteur is. Wanneer hun toneelstuk door de censuur wordt verboden raken de acteurs betrokken bij een plan van de Ondergrondse waarvoor ze zich echt als nazi’s moeten voordoen, ook weer met inbegrip van Hitler. Ditmaal zijn ze wel overtuigend. Destijds vonden de meeste mensen de film stuitend, maar er was ook voorzichtige lof van James Agee, die zei dat de basis van de film weliswaar ‘onfatsoenijk’ was maar dat het ‘onmiskenbaar om een kunstwerk’ ging. Minder terughoudend was Charles Higham die de film ‘een net zo goed voorbeeld van komische propaganda als The Great Dictator’ noemde, maar dan ‘veel beter geregisseerd’. Bij de repetities voor de toneelopvoering van ‘Gestapo’ in To Be Or Not To Be, zegt een jongetje dat door de Gestapo wordt ondervraagd: ‘Mijn vader heeft me een tank beloofd als ik een mooi rapport krijg.’ Om meer details los te krijgen van de jongen die argeloos zijn vader verraadt, zeggen de mannen van de Gestapo: ‘Onze Führer heeft besloten je een tank te geven,’ en die geven ze hem. Dat moment wordt geciteerd, en omgedraaid, in La Vita è Bella, als niet de nazi’s maar de Amerikanen de jongen de tank geven die zijn vader hem had beloofd.
Mel Brooks heeft in 1983 een weinig succesvolle nieuwe versie van To Be Or Not To Be gemaakt, maar zijn eigen oorspronkelijke meesterwerk in dit genre is The Producers (1968), een film over een toneelvoorstelling over Hitler (‘Springtime for Hitler’), die bedoeld was als een monument van slechte smaak en dus een lucratieve mislukking, maar in feite een zeer succesvolle Broadway-musical werd. Precies hetzelfde lot was de film zelf beschoren: het leven imiteert zoals zo vaak de kunst, net ook in La Vita è Bella. De film werd afgekraakt (door Arthur Schlesinger, jr.) als ‘een vrijwel foutloze triomf van slechte smaak, zonder een spoor van geestigheid of stijl’, maar werd een klassieke cultfilm en ten slotte, in 2001, zelf een zeer succesvolle Broadway-musical.
Ook in andere films wordt de spot gedreven met de Holocaust: Europa, Europa [1991] van Agnieszka Holland, waarin een joodse jongen een nazi speelt, en Enemies, A Love Story [1989] van Paul Mazursky, gebaseerd op de roman van Isaac Bashevis Singer over een overlevende van de Holocaust in New York die met een hele reeks vaak komische impersonaties zijn verhouding met een andere overlevende beschermt, totdat ze samen zelfmoord plegen. Toen er later ook andere oorlogen werden gevoerd en verfilmd werd de humor grover. Voor de Koude Oorlog hadden we de surrealistische zwarte komedie over een totale nucleaire Holocaust van Stanley Kubrick, Dr. Strangelove; or, How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1963). Voor de oorlog in Korea hadden we M*A*S*H van Robert Altman [1970], geschreven door Ring Lardner naar de roman van Richard Hooker. Judith Crist schreef over die film: ‘De lach is in bloed gedrenkt en de humor bedekt een wrange, verschrikkelijke waarheid.’ En voor de Vietnamoorlog hadden we Apocalypse Now van Francis Ford Coppola [1979]. Die geweldige anti-oorlogsfilm bevat minstens één echt hilarische scène, van surfende Amerikaanse militairen op de Mekong Delta, een scène waarin zelfs de bekende slapstick-truc zit van iemand met een ladder (in dit geval een surfplank) die zich zo snel omdraait dat hij per ongeluk iemand anders met het uiteinde omstoot. Het is geen scène waarin de oorlog wordt gebagatelliseerd, al doen de erin geschetste personages dat wel. De surfscène belicht de achteloze wreedheid van de Amerikaanse interventie in Vietnam en is daardoor effectiever en onvergetelijker dan de gruwelijke scènes van de massamoord op vrouwen en kinderen.
Die latere, grimmiger oorlogsfilms vormen het kader voor La Vita è Bella. In To Be Or Not To Be [1942] kwam maar één grapje voor over de Holocaust: als Carole Lombarde in een nauwsluitende satijnen avondjapon verschijnt die ze wil dragen als ze ‘in het concentratiekamp in de duisternis geslagen’ wordt en dan te zien is als het licht aangaat. In The Producers [1968] daarentegen worden grappen over de uitroeiing van de joden zorgvuldig vermeden, alleen het militarisme en het pompeuze gedrag van de nazi’s worden belachelijk gemaakt. De kampen worden niet genoemd, laat staan dat er sprake is van gniffelende toespelingen op lampenkappen van mensenhuid. Maar nadat door M*A*S*H [1977] en Apocalypse Now [1979] de grens van het toelaatbare was verlegd kon zowel de zwarte als de pikante humor in Europa, Europa [1991] worden gebaseerd op de pogingen van de joodse jongen om te verhullen dat hij besneden is. In La Vita è Bella worden, zoals we gezien hebben, grapjes gemaakt over de gruwelijkheden, grapjes die nog net door de beugel kunnen. Maar terwijl er bij Europa, Europa eigenlijk alleen discussie was over de vraag waarom de Duitse commissie de film niet voor een Oscar had voorgedragen, werd La Vita è Bella onderwerp van verhitte discussies. Waarom? Deels omdat niemand het verwijt wilde krijgen een film te hebben goedgekeurd die de Holocaust ontkende. Want toestemming om grappen te maken wordt op geheel verschillende momenten verleend aan de slachtoffers, de toeschouwers en de daders (of degenen die met de daders worden geassocieerd) of hen die tot terreur hebben aangezet (ook al zijn de laatsten niet persoonlijk schuldig aan enig kwaad) of iedereen die van gebrek aan medelijden met de slachtoffers kan worden verdacht, want medelijden is een voorwaarde voor een geslaagde grap. Het recht op satire op de Holocaust ligt voor joden geheel anders dan voor Duitsers. De aarzeling van de Duitse commissie is beter te begrijpen in het licht van een recente ramp.
http://www.nrc.nl/nieuws/opinie/1008310659822.html