Ik ga het uitleggen met klittenband en magneetjes.
Fuck hè, daar zit je dan met je mooie beloftes...

Het zal wel een lang verhaal worden, maar aangezien er meerdere mensen aan hebben gegeven interesse te hebben...
Als je eerst naar het 2C-B molecuul kijkt, dan zie je een aromatische ring met methoxy groepen [O] en een broom-atoom [Br].
Zo'n ring - zeker met geconjugeerde dubbele bindingen (die dubbele streepjes om-en-om - is apolair, dat wil zeggen waterafstotend.
Een methoxy groep - een O-atoom tussen twee streepjes - is polair of lipofiel.
Polair en apolair kun je een beetje zien als klittenband.
Apolaire stukken van een molecuul blijven het liefst in de buurt van apolaire stukken van een ander molecuul.
Polair en apolair stoten elkaar ook een beetje af, maar om het simpel te houden negeren we dat nu even.
Het Br-atoom is weer een ander verhaal, hier is namelijk sprake van een dipool.
Als je weet wat ionen zijn, dan zou je kunnen zeggen dat een dipool een soort light-versie van een ion is.
Het is net als met een magneet: + en - trekt elkaar aan, en gelijke ladingen stoten elkaar af.
In dit geval is de aantrekkende en afstotende kracht veel groter dan bij polair/apolair, vandaar dat we het daar over klittenband hebben en hier over magneten.
Tot zover de uitleg over 2C-B...
2C-B moet in het lichaam binden op een receptor.
Een receptor is een eiwit, en een eiwit is niets anders dan een heel groot molecuul.
Het binden van een molecuul aan een eiwit, is een erg ingewikkeld proces waarbij veel dingen een rol spelen.
Zo moet het molecuul op een bepaalde plaats binden om effect te hebben.
Het werkt - in dit aspect - als een slot/sleutel principe: Alleen als de sleutel past, kun je hem omdraaien en zo het slot in beweging zetten.
Het molecuul moet echter ook op deze bindingsplaats kunnen komen, het moet dus niet te groot zijn en ook niet uitgescheten worden voordat het - via het bloed etc. - op de bingdingsplaats is.
Het aangrijpen op de bindingsplaats is echter niet alleen afhankelijk van de vorm en grootte.
Eiwitten zijn namelijk specifiek opgebouwd uit stukken die polair zijn, apolair, of met een dipool.
Een molecuul dat polair is op de plekken waar het eiwit polair is en apolair op de plekken waar het eiwit apolair, zal erg goed blijven zitten.
Stel je een soort driedimensionaal object voor met klittenband, als het klittenband aan alle kanten goed aansluit krijg je het niet zomaar meer los.
Naast de polaire en apolaire interacties, heb je ook nog de dipolen die de binding beïnvloeden.
Hier gaat de vergelijking met klittenband en magneten misschien een beetje krom, want die dipolen zijn eigenlijk veel sterker dan de apolaire en polaire interacties.
In ieder geval wordt een molecuul echt op zijn plek 'gezogen' als de dipolen precies op de goede plek zitten.
Dit was een beetje de basis over receptoren en receptorbinding...
Ik zal mijn post alvast posten, voordat ik hem straks kwijt ben en opnieuw moet beginnen.
Terug naar het verschil tussen 2C-B en 2C-B-FLY en 2C-B-dragonFLY etc.
Door de methoxy-groep van normale 2C-B 'in te bouwen' in een ringstructuur veranderen er een aantal dingen:
- Het O-atoom heeft een iets sterkere dipool
- Het O-atoom heeft minder bewegingsvrijheid binnen het molecuul, en blijft dus meer op een bepaalde plaats zitten
- Het overige gedeelte van de ringstructuur is apolair.
Je kunt lezen dat een 'saturated' ring zwakker bindt dan een 'aromatic', dat komt omdat door de dubbele binding invloed heeft op de bewegingsvrijheid en de polariteit.
Blijkbaar dat de beperkte bewegingsvrijheid zorgt dat deze moleculen makkelijker kunnen binden op de receptoren.
Daarnaast zorgen de apolaire stukken in de extra ringen ervoor dat deze moleculen ook langer aan de receptor gebonden blijven (dat noem je affiniteit).
Wat er echter ook ergens in een post hierboven staat, is dat een van de moleculen wel de hoogste affiniteit heeft (en dus het langst op de receptor gebonden blijft), maar dat een ander molecuul meer effect heeft.
Dit komt omdat het binden aan de receptor niet het enige is, denk terug aan de uitleg over het slot en de sleutel: De sleutel moet ook nog omgedraaid worden.
De sleutel omdraaien op moleculair niveau is vergelijkbaar met een soort marionet.
Alle atomen in een eiwit staan met elkaar in verbinding, en als een molecuul bindt worden sommige atomen een klein beetje weggeduwd of naar het molecuul toe getrokken.
Omdat alle atomen in een eiwit aan elkaar zitten, kan een kleine verdraaiing op de ene plek zorgt dat aan het uiteinde een groot uitsteeksel een kwartslag draait.
Vaak zit aan de binnenkant van een cel - waar het uiteinde van de receptor is - een klein molecuul 'gevangen' in het eiwit, als een stuk touw tussen een grijper van een graafmachine ofzo.
Als het eiwit een klein beetje van vorm verandert, gaat de grijper open en kan het molecuul aan de binnenkant van de cel los en op weer een andere receptor binden, of aan het DNA.
Nu ga ik pissen en ik vind het wel best zo, hopelijk was dit een antwoord op de vraag die hierboven (niet zo duidelijk...) gesteld werd.
