Met een gewicht van 30kg is de keizerpinguïn de zwaarstgebouwde soort binnen zijn orde. Hij bezoekt regelmatig, in zeer grote kolonies, de kusten van Antarctica.
Om zich goed te beschermen tegen temperaturen van -60°C is de keizerpinguïn behaaglijk gekleed. Allereerst is zijn huid met een laag dons bedekt; in deze isolerende onderlaag zijn de veren bevestigd, in de hoeveelheid van vier stuks per cm²; ook de poten zijn geheel voorzien van veren. De vogel voedt zich voornamelijk met zeedieren en is de schrik der pijlinktvissen; hij duikt tot een diepte van 265meter en kan 18 minuten onder water blijven! Zodra de keizerpinguïn weer adem wil halen verschijnt hij aan de oppervlakte, net zoals dolfijnen.
Als de baltsperiode aanbreekt zoek hij elk jaar dezelfde broedplaats op (het Coulma eiland bijvoorbeeld, waar zich 25.000 paren bevinden). Soms is het een lange afstand en moet deze wat logge vogel zich erg inspannen om met zijn kleine poten de zee te bereiken. Hij bouwt geen nest maar legt het ei, staand op zijn poten, onder een buikplooi, die het ei afschermt van de bevroren grond. Goed tegen elkaar aangedrukt om op die manier een afweer tegen de hevige winden te vormen, blijven de mannetjes onverstoorbaar staan broeden, terwijl de vrouwtjes in zee een hapje eten gaan halen.