vlerk1 (de ~ (m.), ~en)
1 onbeleefde kerel, jongen => deugniet
vlerk2 (de ~, ~en)
1 vleugel van een vogel of ander vliegend dier
2 [inf.] hand
3 zijdelings aan een prauw verbonden drijver
vlerk·ach·tig (bn.)
1 vlegelachtig => onbeschoft
vle·gel (de ~ (m.), ~s)
1 lange stok, waaraan een korte dikke stok beweeglijk bevestigd is, dienend om koren te dorsen => dorsvlegel
2 baldadige opgeschoten jongen => deugniet
vle·gel·ach·tig (bn.)
1 van of als een vlegel => onbeschoft
Mag ik u wijzen op het gebruik van een tautologie
