Bioloog en schrijver Midas Dekkers geeft antwoord op de vraag: heeft het zin om optimistisch te zijn? ‘Iedereen die ook maar een beetje zinnig kan nadenken, is zich er voortdurend van bewust dat er van alles mis kan gaan.’
‘Ik ben een pessimist. Dat is geen vrijwillige keuze; ieder mens die goed bij zijn hoofd is, is pessimistisch. Alleen mensen zonder verstand kunnen optimistisch zijn. Niet voor niets zijn de grootste optimisten die ik ken mongolen. “Zalig zijn de onnozelen” - een prachtige uitdrukking.
Nu werkt optimisme helaas bijzonder aanstekelijk. Veel mensen vinden het heerlijk toeven in de buurt van het zogenaamde “zonnetje in huis”. Maar ik wantrouw types als Paul de Leeuw ten diepste, zo’n man die altijd loopt te grijnzen. Die eeuwige glimlach zit daar niet voor niets; die tovert hij tevoorschijn om zijn publiek te behagen, om zo zijn eigen commerciële zaken vooruit te helpen. Het is de vals-opgeplakte glimlach van de bedrieger.
Want de mens is van oorsprong geschapen als chagrijn. Iedereen die ook maar een beetje zinnig kan nadenken, is zich er voortdurend van bewust dat er van alles mis kan gaan. Natuurlijk, in de basis hebben we allemaal ook een optimistische kant. Wij worden gelokt – of beter gezegd: in het leven vooruitgetrapt – door alles wat lekker, leuk en aangenaam is. Door prettige zaken die onze zintuigen positief beroeren, waar we van genieten.
Maar tegelijkertijd worden we teruggetrokken en -gehouden door allerlei angsten voor wat er fout kan gaan. En dat stemt tot grote somberheid. In geval van twijfel tussen deze tegenovergestelde krachten dient de pessimist namelijk de belangrijkste stem te krijgen. Want akelige dingen zijn altijd akeliger dan fijne dingen fijn zijn. Parfum ruikt lekker; maar de stank van een ontbindend lijk is oneindig veel viezer dan een geurtje lekker is. Mooie muziek is prettig; maar een angstkreet gaat door merg en been.
En neem nu een behaaglijk haardvuurtje. Je denkt: wat een heerlijk vuurtje, je kruipt er dichter en dichter naartoe. Maar je moet er nooit te dichtbij gaan zitten, of je hand in de vlammen steken. Dan verbrand je, en dat doet dat verschrikkelijke pijn. De pijn van de verbranding is vele malen groter dan het fijne, behaaglijke gevoel dat het vuurtje ook kan bieden.
Zo zijn wij mensen geprogrammeerd door slechte ervaringen en bijbehorende pijnen, die worden omgezet in angsten die moeten voorkomen dat wij nogmaals in eenzelfde penibele situatie belanden. In ons achterhoofd zijn we daarom permanent pessimistisch. Pessimisme is een vorm van alertheid, noodzakelijk voor de eigen veiligheid.
Wil je nog een beetje onbekommerd door het leven gaan, dan moet je dus een groot deel van je gezonde verstand uitschakelen. Voor hen die de neiging hebben in pessimisme weg te zakken, gaat dat nog het best door middel van het gebruik van verdovende hulpmiddelen. Er meteen maar een einde aan maken heeft geen zin. Evolutionair gezien is de mens gericht op het voortbestaan van de eigen soort. Die levenskracht zie je bij mensen die dood- en doodziek zijn en desondanks toch liever blijven leven. Van mensen die die kracht niet hebben, hoor je over het algemeen nog maar weinig. De evolutie geeft de sukkels die dood willen geen kans zich in groten getale te vermeerderen.
Over de belabberde toestand van de wereld in het algemeen maak ik me minder zorgen dan vroeger. Ik heb inmiddels en beetje de houding van: na mij de zondvloed. Ik kan wel blíjven waarschuwen voor de rampspoed die ons gaat treffen als gevolg van het milieu, dat door ons toedoen verloedert, maar de kans dat ik die rampen zelf nog meemaak wordt steeds kleiner. Dat neemt niet weg dat de wereld toch wel naar de kloten zal gaan.
Het voordeel voor de pessimist is dat het uiteindelijk alleen maar mee kan vallen. Hij is voorbereid op een slechte afloop. En mocht het onverhoopt toch positiever uitpakken, dan is dat ook voor hem mooi meegenomen
‘Ik ben een pessimist. Dat is geen vrijwillige keuze; ieder mens die goed bij zijn hoofd is, is pessimistisch. Alleen mensen zonder verstand kunnen optimistisch zijn. Niet voor niets zijn de grootste optimisten die ik ken mongolen. “Zalig zijn de onnozelen” - een prachtige uitdrukking.
Nu werkt optimisme helaas bijzonder aanstekelijk. Veel mensen vinden het heerlijk toeven in de buurt van het zogenaamde “zonnetje in huis”. Maar ik wantrouw types als Paul de Leeuw ten diepste, zo’n man die altijd loopt te grijnzen. Die eeuwige glimlach zit daar niet voor niets; die tovert hij tevoorschijn om zijn publiek te behagen, om zo zijn eigen commerciële zaken vooruit te helpen. Het is de vals-opgeplakte glimlach van de bedrieger.
Want de mens is van oorsprong geschapen als chagrijn. Iedereen die ook maar een beetje zinnig kan nadenken, is zich er voortdurend van bewust dat er van alles mis kan gaan. Natuurlijk, in de basis hebben we allemaal ook een optimistische kant. Wij worden gelokt – of beter gezegd: in het leven vooruitgetrapt – door alles wat lekker, leuk en aangenaam is. Door prettige zaken die onze zintuigen positief beroeren, waar we van genieten.
Maar tegelijkertijd worden we teruggetrokken en -gehouden door allerlei angsten voor wat er fout kan gaan. En dat stemt tot grote somberheid. In geval van twijfel tussen deze tegenovergestelde krachten dient de pessimist namelijk de belangrijkste stem te krijgen. Want akelige dingen zijn altijd akeliger dan fijne dingen fijn zijn. Parfum ruikt lekker; maar de stank van een ontbindend lijk is oneindig veel viezer dan een geurtje lekker is. Mooie muziek is prettig; maar een angstkreet gaat door merg en been.
En neem nu een behaaglijk haardvuurtje. Je denkt: wat een heerlijk vuurtje, je kruipt er dichter en dichter naartoe. Maar je moet er nooit te dichtbij gaan zitten, of je hand in de vlammen steken. Dan verbrand je, en dat doet dat verschrikkelijke pijn. De pijn van de verbranding is vele malen groter dan het fijne, behaaglijke gevoel dat het vuurtje ook kan bieden.
Zo zijn wij mensen geprogrammeerd door slechte ervaringen en bijbehorende pijnen, die worden omgezet in angsten die moeten voorkomen dat wij nogmaals in eenzelfde penibele situatie belanden. In ons achterhoofd zijn we daarom permanent pessimistisch. Pessimisme is een vorm van alertheid, noodzakelijk voor de eigen veiligheid.
Wil je nog een beetje onbekommerd door het leven gaan, dan moet je dus een groot deel van je gezonde verstand uitschakelen. Voor hen die de neiging hebben in pessimisme weg te zakken, gaat dat nog het best door middel van het gebruik van verdovende hulpmiddelen. Er meteen maar een einde aan maken heeft geen zin. Evolutionair gezien is de mens gericht op het voortbestaan van de eigen soort. Die levenskracht zie je bij mensen die dood- en doodziek zijn en desondanks toch liever blijven leven. Van mensen die die kracht niet hebben, hoor je over het algemeen nog maar weinig. De evolutie geeft de sukkels die dood willen geen kans zich in groten getale te vermeerderen.
Over de belabberde toestand van de wereld in het algemeen maak ik me minder zorgen dan vroeger. Ik heb inmiddels en beetje de houding van: na mij de zondvloed. Ik kan wel blíjven waarschuwen voor de rampspoed die ons gaat treffen als gevolg van het milieu, dat door ons toedoen verloedert, maar de kans dat ik die rampen zelf nog meemaak wordt steeds kleiner. Dat neemt niet weg dat de wereld toch wel naar de kloten zal gaan.
Het voordeel voor de pessimist is dat het uiteindelijk alleen maar mee kan vallen. Hij is voorbereid op een slechte afloop. En mocht het onverhoopt toch positiever uitpakken, dan is dat ook voor hem mooi meegenomen
















