Putjesschepper
Waarom heeft de putjesschepper zo'n negatief imago in onze taal? Sinds wanneer is dat? En: klopt het wel dat de troonrede tot 1987 niet werd gecorrigeerd?
Door Rob
Onlangs hoorde ik mezelf tegen iemand zeggen: ,,Ja, en dan maakt het niet uit of je putjesschepper of professor bent.'' De context doet er hier niet toe, het gaat mij om het woord putjesschepper. Dat had ik in geen járen, misschien zelfs in geen decennia gebruikt. Zou het op z'n retour zijn? vroeg ik mij af. En komt dat dan omdat er helemaal geen putjes meer worden geschept, omdat het vak van putjesschepper is uitgestorven? Of ís dat helemaal niet uitgestorven? Ik bedoel: we hebben toch nog putten in de straten, dus die zullen toch af en toe moeten worden schoongemaakt. En was dat altijd al een klus voor de gemeentereiniging of bestonden er werkelijk ooit aparte putjesscheppers?
U ziet: je kunt jezelf helemaal gek maken. Je gebruikt terloops een woord en vervolgens flitsen er zoveel vragen door je hoofd dat je volkomen bent afgeleid.
Maar goed, de vragen zijn nu gesteld en ze verdienen een antwoord - dat zijn we aan de putjesscheppers verplicht.
Nee, het ziet er niet naar uit dat het woord putjesschepper aan het uitsterven is. Ik mag het dan zelf in geen jaren hebben gebruikt, het komt nog geregeld voor. Je komt het tegen met dubbel-s (putjesschepper, de correcte spelling) en met één s. Die incorrecte spelling komt tientallen keren voor, zowel op internet als in de dagbladen.
Een putjesschepper was oorspronkelijk iemand die beerputten leegmaakte. Dat is dus wat anders dan de huidige putten op straat, want in de beerputten zat poep. Een putjesschepper was dus eigenlijk een poepschepper, een opruimer van menselijke fecaliën. Het is dus niet zo gek dat het beroep van putjesschepper in laag aanzien stond. Dit verklaart meteen de overdrachtelijke betekenis van putjesschepper, te weten: 'iemand met een zeer onaanzienlijk beroep, van geringe stand' (aldus de definitie in de Grote Van Dale).
Sinds wanneer kennen we deze overdrachtelijke betekenis? Van Dale vermeldt haar pas sinds 1961, maar het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, schreef in 1949: ,,Een putjesschepper wordt in den jongsten tijd vaak genoemd als voorbeeld van een persoon met een zeer onaanzienlijk beroep en van zeer geringe ontwikkeling.'' Ter onderbouwing haalt het woordenboek een schertsende passage aan uit een dagboek dat in 1918-1919 werd geschreven door Salomon Frederik van Oss, de oprichter van de Haagsche Post (,,Amsterdam, alwaar putjesscheppers thans grooter inkomen [hebben] dan vele gestudeerde menschen''). Kortom, het lijkt erop dat de overdrachtelijke betekenis van putjesschepper is ontstaan in de eerste helft van de twintigste eeuw.
Putjesschepper was dus wel degelijk een echt, zelfstandig beroep (men sprak ook wel van putschepper, sekreetruimer, puttekees en putverlater). Wie werden er putjesschepper en tot wanneer bestond dit beroep? Daarover is het een en ander te vinden in Amstelodamum, een tijdschrift dat is gewijd aan de geschiedenis van Amsterdam. In 1941 stonden in Amstelodamum twee bijdragen over de geschiedenis van de stadsreiniging, een dienst die pas in 1877 werd opgericht (daarvoor was de reiniging van de stad in particuliere handen). In het ene stuk staat: ,,Ten gevolge van de invoering der putzuigmachines verdwenen in het jaar 1930 de bekende 'putjesscheppers' uit het stadsbeeld van Amsterdam. Voorts was het mogelijk het tijden met den kwalijk-riekende 'Boldootwagen' te doen ophouden.'' (De Boldootwagen was de wagen waarmee de stront werd afgevoerd; het gaat hier om een ironische benaming.)
In het andere stuk, waarin een filmdocumentaire over de stadsreiniging wordt besproken, staat: ,,De dienst wordt geleid van het hoofdkantoor uit. Wij zagen hoe druk de directeur het daarbij heeft. Tempo, tempo, ademt trouwens het geheele bedrijf. Alleen het enkele exemplaar van den ouden putjesschepper dat bewaard is gebleven, en dat wij zijn werk zagen doen op het Begijnehof, in een dus wel historische lijst, had iets van den voormaligen langzamen maatgang gehouden. De man nam er echt zijn tijd voor, om eerst, naar alle regelen der kunst, een 'keesie' achter zijn kiezen te stoppen, voordat hij zijn schep in het zinkputje stak. Neen, dan die putzuigers, met welk een snelheid zogen die met hun lange slurf de putten leeg. En zoo is, naar men weet, bij de Stadsreiniging alles gemechaniseerd, tot de straatvegers toe, die zich op hun driewielers met lichte metalen bakken snel door de stad voortbewegen.''
De meeste putjesscheppers verdwenen dus in 1930 (althans: in Amsterdam), maar ze werden niet allemaal verdrongen door de moderne techniek, want tien jaar later waren er nog een paar aan het werk - men mag aannemen vooral op plaatsen, zoals in het Begijnhof, die voor de 'putzuigmachines' niet te bereiken waren.
Waarschijnlijk werd je vroeger putjesschepper omdat je vader dat ook was. Eeuwenlang gingen beroepen over van vader op zoon. Maar toen dit begon te veranderen en er meer ruimte ontstond voor individuele beroepskeuzes, zullen de meeste putjesscheppers voor dit beroep hebben gekozen omdat ze - door welke omstandigheden dan ook - tot niks anders in staat waren. Het lijkt mij althans dat weinigen de ambitie hadden om strontschepper te worden. In de praktijk werd het werk vaak uitgevoerd door oudere mannen, zo blijkt uit een jeugdherinnering van de vooraanstaande historicus I.J. Brugmans. ,,Een speciale categorie'', schrijft Brugmans ergens over de arbeiders in het oude Amsterdam, ,,vormden de putjesscheppers: oude mannetjes met een zwartgeverfde kruiwagen, voorzien van de letters M.W.S.; het heeft lang geduurd eer ik te weten kwam, dat die letters de Maatschappij voor den Werkenden Stand aanduidden.''
Putjesschepper komt in twee min of meer vaste verbindingen voor. Tegen een kind dat niet wil leren zei of zegt men vaak: jij wordt nog eens putjesschepper. En wil men dit nog versterken, dan wordt het putjesschepper op zee, een toonbeeld van nutteloosheid. Overigens staat de putjesschepper hierin niet alleen. Vergelijkbare uitdrukkingen zijn: jij wordt nog eens stratenmaker (op zee), reiziger in baaltjes heet water, professor in de weet-niet-kunde of strontraper achter de trein. En jij eindigt nog eens als slagersjongen is evenmin positief bedoeld.
Tot slot nog dit: zoals we gezien hebben dateert de overdrachtelijke betekenis van putjesschepper ('iemand met een zeer onaanzienlijk beroep, van geringe stand') uit het begin van de twintigste eeuw. Is ook bekend welk beroep daarvóór het minst in aanzien stond? Men keek vast op allerlei beroepen neer, maar taalkundig gezien heeft vooral de waterputter het lang moeten ontgelden. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal schijft over de waterputter: ,,Dit beroep was, met name in de bijbelsche oudheid, weinig in aanzien; vandaar dat het, via bijbelvertaling, ook min of meer figuurlijk gebruikt werd ter aanduiding van lieden van geringen maatschappelijken stand (vgl. het modernere putjesschepper).''
Tegenwoordig is de negatieve lading van het woord waterputter niet meer vanzelfsprekend. Als je zou moeten kiezen tussen het putten van water of stront, dan is de keuze makkelijk gemaakt.
Troonrede. Afgelopen maandag schreef ik dat de Troonrede tot 1987 niet werd gecorrigeerd. Dit blijkt echter niet helemaal juist te zijn. M. Uhlenbeck-Winkel, de weduwe van de vooraanstaande taalkundige E.M. Uhlenbeck, schreef hierover: ,,Het is niet juist dat de troonrede tot 1987 niet werd gecorrigeerd. Veel eerder werd deze rede gecorrigeerd, bij voorbeeld door E.M. Uhlenbeck. In die tijd schreef ieder departement zijn eigen paragraaf en maakte de minister-president er een geheel van. De corrector moest niet alleen mogelijke fouten opsporen, maar ook de duidelijkheid van de tekst bevorderen. Ik herinner mij dat mijn man vertelde (ik kan hem helaas niet meer raadplegen) dat hij op bezoek ging bij diverse departementen om te vragen hoe iets bedoeld was, en dat bleek dat sommige departementen nadrukkelijk die onduidelijkheden of dubbelzinnigheden wensten te handhaven.
,,In 1973 is een Commissie Duidelijke Taal (van ambtelijke teksten) opgericht, waarvan dr. A. Vondeling (voorzitter Tweede Kamer) en drs. J. Renkema (adj.-secr. Staatsdrukkerij) respectievelijk voorzitter en secretaris waren en waarvan onder meer mr. J. Klaasesz van Onze Taal lid was. Vondeling en Renkema hebben de troonrede van 1975 herschreven en vergeleken met de oorspronkelijke tekst en het oordeel van de betrokken ministers gevraagd (Den Uyl ging in op ruim 120 gevallen). Beide teksten plus commentaar werden uitgegeven in 1976. In Leiden werd in 1976/'77 door een groep doctoraalstudenten Algemene Taalwetenschap onderzoek gedaan naar de verschillen tussen beide teksten, de consequenties van de veranderingen voor onder meer duidelijkheid en interpretatie, en de theoretische implicaties. De praktische resultaten en vragen die hieruit resulteerden zijn met Vondeling en Renkema besproken en in 1977 heeft Uhlenbeck een korte inleiding gehouden voor de Commissie.''
mooi stuk
