Maandelijks is de kans op een geslaagde bevruchting 20%. Op je 35ste is dat met de helft verminderd. Later, bijvoorbeeld op je 38ste, is de kans op zwangerschap nog kleiner: 5%. Dat betekent dus dat het vaak lang kan duren voor je in verwachting bent. Dat geldt ook voor vrouwen die al eens zwanger zijn geweest.
Als je ouder wordt, neemt de kans toe dat de vorming van je eicellen niet meer normaal verloopt. De celkernen, die na de bevruchting uit zo'n eicel groeien, zijn niet normaal samengesteld. Dat heeft gevolgen voor je kind. Het Down-syndroom is daarvan het bekendste voorbeeld. Een kind dat daaraan lijdt wordt ook wel eens een 'mongooltje' genoemd. Op iedere leeftijd kan het gebeuren dat de samenstelling van de kern van de eicel, of van de bevruchte eicel, niet normaal is, maar hoe ouder de moeder is, hoe groter de kans.
Die kans kan in cijfers worden uitgedrukt. Tel je de kinderen die worden geboren met het Down-syndroom, dan is bij een 20-jarige vrouw de kans 1 op de 1.500, bij een 36-jarige 1 op de 300 en bij een vrouw van 40 jaar 1 op de 100. Tel je de resultaten van vlokkentesten, dan blijkt een 40-jarige vrouw in de achtste week van de zwangerschap een kans van 1 op 50 te hebben. Vroeg in de zwangerschap is die kans nog groter, maar hoeveel groter is moeilijk bij te houden, omdat een chromosoomfout vaak tot een miskraam leidt.