U hebt gezocht op nak:
RESULTAAT (maximaal 20 woorden)
na·kaar·ten (onov.ww.)
1 blijven praten na het vertrek van anderen => napraten
2 terugkomen op een zaak die als afgedaan wordt beschouwd
na·kau·wen (ov.ww., ook abs.)
1 telkens weer praten over (iets dat gebeurd is)
na·ken (onov.ww.)
1 [archa.] naderen
na·kend (bn.)
1 [inf.] naakt
na·keu·ring (de ~ (v.))
1 tweede keuring
na·keur·spel·ling (de ~ (v.))
1 naam voor de bij stemmingsbesluit van 1946 en 1947 ingevoerde toegelaten spelling [in 1995 afgeschaft]
na·kij·ken (ov.ww.)
1 kijken naar (iem. die of iets dat weggaat) => nazien
2 (stukken, schriftelijk werk) corrigeren
3 controleren
na·klank (de ~ (m.))
1 echo
2 late invloed => effect
na·klin·ken (onov.ww.)
1 weergalmen
na·ko·me·ling (de ~ (m.), ~en)
1 bloedverwant in neerdalende lijn => afstammeling, descendent, nazaat, telg
na·ko·me·ling·schap (de ~ (v.))
1 nageslacht
na·ko·men1 (onov.ww.)
1 later komen dan anderen
na·ko·men2 (ov.ww.)
1 (iets) naleven, in acht nemen => inlossen, woord houden, zich aan zijn woord houden, zijn /woord/belofte/gelofte/ gestand doen; <=> zich onttrekken aan
na·ko·mer·tje (het ~, ~s)
1 jongste kind dat nogal veel in jaren verschilt met het voorlaatste
na·ko·ming (de ~ (v.))
1 het nakomen van een verplichting
na·kroost (het ~)
1 [form.] nageslacht
Ik kan er nog steeds geen wijs uit worden
