Partyflock
 
Forumonderwerp · 676018
Waarschuw beheerder
Wie moet er nog meer eindexamen doen dit jaar? Op welk niveau en wat ga je daarna (na de vakantie bedoel ik) doen? Vervolgopleiding/werken/reizen enz.?
laatste aanpassing
Waarschuw beheerder
boeiend dat het saai is, wat is nou twee weken 8) als je het vergelijkt met je schoolperiode O:)

be positive ;):D
Waarschuw beheerder
jaaaa eerste examen zit er op frans--> 36 van de 45 puntjes dus das alvast binne!!! :D:D:D:D:D
Waarschuw beheerder
Nog mensen die M&O hadden gedaan?
Was op zich niet zo lastig als je goed geleerd had, :X
Ben benieuwd... je had wel de volle 3 uur nodig :S
Waarschuw beheerder
zijn er hier nog mensen met de gouden tip om door de wiskunde en natuurkunde stof (VWO, ik werk met het boekje 'samengevat' en examenbundel) heen te komen? het wil maar niet lukken :/
Waarschuw beheerder
Brosi wat had jij dan gehaald?
Ben nou wel nieuwsgierig hoor :9
laatste aanpassing
 
Waarschuw beheerder
donateur
waar kan je de klachten indienen?! Hoe meer klachten, hoe beter het punt wordt (misschien)

DUS: Iedereen gaan klagen!!!

ik durf frans niet na te kijken :/ :bloos:
Waarschuw beheerder
tussen de 7,3 en een 8,8 8)

best blij:). nu maar weer blij verder met geschiedenis :(..
Waarschuw beheerder
LittleZaca, thnx!
Ik had rustig op de fiets naar school gestapt :bloos:

Dat samengevat boekje werkt niet echt bij mij.
Wel handig om door te lezen en s te kijken of je nog wat vergeten bent. Staan soms wel handig sommetje met antwoord en manier waarop je het kan oplossen bij. Maar je eigen aantekeningen doorlezen werkt veel beter.

Ik heb tot grote ergernis van mn docenten bij oa natuurkunde nog nooit een som gemaakt die ik overbodig vond en alles samengevat. Nu hoef ik dat allemaal maar even door te lezen en het is duidelijk. Samenvattingen van anderen doorlezen helpt bij mij vrij weinig...

Wiskunde gewoon eerst alles doornemen (vooral uit je eigen schriften!), de moeilijke onderwerpen nog eens nalezen en oefenen en dan pas uit de examenbundel gaan werken.
Alles wat dan nog fout gaat kun je nog s nakijken.
Wel veel werk, maar denk dat dat het beste werkt.

Verder weet ik t ook niet. Maar ik maak me dan ook niet echt zenuwwachtig en geloof wel dat het me zo gaat lukken.
Moet alleen ff een spoedcursus integreren gaan volgen, want volgensmij wordt dat best veel gevraagd in je wiskunde(b12)examen en ik snap er alleen nog de allersimpelste opgaven van :(
 
Waarschuw beheerder
donateur
Vond trouwens die ene text waar je zelf woorden bij moest invullen bij frans vrij pittig :|

open vragen waren Heeel makkelijk :D
 
Waarschuw beheerder
Frans overleefd! Mocht een 3,6 halen ofzo en ik heb tussen de 5.7 en de 7.2. Prima dus! Zie alleen heel erg op tegen economie en biologie...
 
Waarschuw beheerder
(permanent verbannen)
ik heb me exames pas a.s. dinsdag! ik heb er wel zin in.. sta er toch wel goed voor!
ik ga examen doen in vmbo-t en daarna spw3
 
Waarschuw beheerder
(permanent verbannen)
ik moe volgunt jaar examuh doen
 
Waarschuw beheerder
Doe dit jaar me HAVO examen en ga volgend jaar Hotelschool doen in Maastricht!

Vandaag me eerste examen achter de rug... Frans. vond em best moeilijk!
 
Waarschuw beheerder
2 LittleZaca:

Ik heb eerst samengevat helemaal doorgelezen en daarna exa van vorig jaar gemaakt. dan weet je welke onderwerpen je nog moet oefenenen (die je niet zo goed gemaakt hebt). Deze onderwerpen nog eens goed leren en in examenbundel of andere exa's van andere jaren nog eens oefenen.

heb biologie al helemaal geleerd op deze manier en met het exa van 2003 had ik tussen 6,7en8,2!
dus het werkt.
wiskunde moet ook wel lukken maar ben zelf ook bang voor natuurkunde, dus als iemand daar nog meer tips voor heeft??
Waarschuw beheerder
Vandaag Frans gehad! K vond m ook best moeilijk... K moet een 3.7 halen en heb als t goed is tussen de 4.1 en 5.9, dus net aan gehaald!!
Als ik slaag ga ik communicatie doen op de Haagse Hogeschool samen met Marja ( Ilike2party ) :D
Suc6 allemaal!!!!
laatste aanpassing
Waarschuw beheerder
Weet iemand misschien ook wat er zo ongeveer voor geschiedenis (havo) uit het eerste boek gevraagd wordt? Ik neem aan dat ze geen jaartallen enzo gaan vragen, en ook geen afkortingen van al die actiegroepen en politieke partijen.. En o ja, ik hoop ook dat ze geen namen van ministers enzo gaan vragen. Voor de rest snap ik et allemaal wel.
En het 2e boek over de industriele revolutie is simpel.
Waarschuw beheerder
Ja achterin die geschiedenis boekies staat een lijst met namen van personen. De personen met 1 * moet je een beetje kennen en met 2 ** moet je helemaal goed kennen...!
Jaartallen hoef je niet te kennen!
Verder weet ik t niet... ik vind gs maar moeilijk:S:S
Iemand nog tips?!
Waarschuw beheerder
oow en personen zonder * hoef je volgensmij nie echt te kennen;)
Waarschuw beheerder
welke boeken hebben jullie dan voor gesschiedenis?
Waarschuw beheerder
uhm de ene heet: Nederlanders en hun gezagsdragers ofzo en de andere uhm iets over lancashire en de industriële revolutie...
heb jij die niet dan?!
Waarschuw beheerder
ja de onderwerpen zijn wel t zelfde, maar je heb toch vershcillende uitgevers? of heeft iedereen in nederland dezelfde boeken? ik weet t nie hoor??
 
Waarschuw beheerder
donateur
iedereen heeft t zelfde boekje toch voor Gesch?!

Boekje voor Lancashire :bah:
Waarschuw beheerder
oow ik zou t niet weten eigenlijk hahah!!
ik denk dat t wel t zelfde is!!!
saaaaie onderwerpen dus:S
Waarschuw beheerder
als we dan tocht met tips bezig zijn;)

vorig jaar was één deel van het centraal examen geschiedenis over nederland (+gezagsdragers;)). dus je kan op examennet.nl de geschiedenis examenens uitprinten, en dan alleen het deel van nederland. (twee onderwerpen zijn duidelijk van elkaar gescheiden).

zo kan je dus een klein beetje zien hoe het examens over nederland eruit ziet. jaartallen hoef je niet te weten, alleen de volgorde, zoals altijd bij gs, is belangrijker..

volgens mij heeft iedereen hetzelfde boekje hoor. met de casussen en toepassen dingen erin;).
Waarschuw beheerder
Hey brosi je je had wel een mooi cijfertje gehaald!
Iedereen trouwens wel, denk je niet dat de normering dit jaar streng is?
Waarschuw beheerder
FF over wat anders. Bij SK, Na en BI mag je je BINAS gebruiken, maar er mag NIKS in geschreven staan. Dit heb ik wel, krijg je dan voor het examen één te leen van school of moet ik daar van tevore zelf achteraan?
 
Waarschuw beheerder
Kun je maar beter zelf achteraan gaan, dan weet je zeker dat het goed komt... Anders zet je het in Je rekenmachine, dat mag volgens mij wel ;p
Waarschuw beheerder
thnx girl (F)

geen idee hoe die normering is, misschien is het gemiddelde wat op partyflock is gehaald gewoon hog;)..

daarom is het cijfer dat je op internet kan berekenen zo breed..

hoop dat er een hoop klachten komen dat de nomering een beetje soepeltjes is (6)
Waarschuw beheerder
Feestgangers op de partyflock zijn gewoon slim o:) hahahahaha :9

Ja gaan wij ook maar even klagen toch!!

De stoelen piepten teveel ofzo? ;)
Waarschuw beheerder
Anger Terrorist, dat vroeg ik me ook vandaag precies af.
Heb er namelijk met mn wakker hoofd vanalles met pen ingeschreven... :S
Maar ik vraag het maandag wel gelijk ff en anders leen ik er die dag gelijk alvast één van school.
 
Waarschuw beheerder
Anger Terrorist, heb de laatste blz volgeschreven (die is helemaal wit) en die er gewoon uitgescheurd.
maar bij ons op school moet je 10EURO!!!! betalen om een binas te lenen,:-s das een of andere wraak ofzow dat we met de toetsen wel alles ondergekalkt hebben.... is toch belachelijk of niet?
Waarschuw beheerder
is ie binas niet ieder jaar hetzelfde dan? als dat zo is is er toch wel iemand van vorig jaar die hem nog heeft?

en is ie van het vwo hetzelfde? volgens mij hebben die hem niet op dezelfde dag nodig als havo enzo..

zag net dit:

13-05-2004
[LAKS] Er komen bij het LAKS erg veel vragen binnen over de grafische rekenmachine. Deze is sinds dit jaar ook toegestaan bij de economische vakken op havo en vwo.
Sinds dit jaar is de grafische rekenmachine ook toegestaan bij de economische vakken (economie en M&O) op havo en vwo. Eerder was dit vanaf de invoering van de Tweede Fase toegestaan bij wiskunde en enkele andere exacte vakken op deze onderwijsniveaus. Er zijn echter veel onduidelijkheden over wat er allemaal wel en niet is toegestaan met betrekking tot het geheugen van de machines. Het examenbesluit zegt hierover dat het geheugen niet hoeft te worden gewist. Dat betekent dat je ook gebruik mag maken van het geheugen, je mag er dus dingen inzetten. Pas daarmee alleen op dat je niet eindeloos aan het zoeken bent, want dat kost veel kostbare tijd. En het blijft daarmee altijd beter om te leren. Wat een verdere beperking is dat niet uit de antwoorden op het examen mag blijken dat je programma's die je zelf hebt toegevoegd op de grafische rekenmachine. Als je bijvoorbeeld een programma hebt dat de ABC-formule automatisch voor je uitrekent mag je niet als antwoord geven 'gegevens in programma in GR ingevoerd en dit is het antwoord'. Je moet altijd de berekening erbij geven.

--toch wel blij om dat het mag, staat best veel bij mij in wat ik niet kan onthouden:S
Waarschuw beheerder
Lindaaatje en G'dine-Terrormachine: Tsja, ik heb nou ook niet echt zoveel in mijn BINAS staan. Ik heb eigenlijk alleen maar wat bij het periodieke systeem der elementen staan. Ik heb bijv. de niet-metalen gekleurd met markeerstift, heb de elektrovalenties van de verschillende groepen erbij gezet en ik heb neergezet welke lading de ionen hebben.

Ik ga echt niet mijn periodiek systeem der elementen uit de Binas scheuren want deze pagina gebruik ik toch het meest bij Scheikunde (wat maandag is).
Waarschuw beheerder
donateur
Havo :vaag: dinsdag begint de rommel voor 4 daagjes en dan die week erop nog 2 :@

derna ga ik werken in de vakantie en op vakantie :P en in september studeren voor Makelaar O.G. :bloos:
Waarschuw beheerder
donateur
ik moet dit halen:
EN 4,4
WI 5,1
EC 5,0
MO 3,2
NE 4,0
GS 4,9
AK 4,2
afgesloten vakken NUL onvoldoendes en hier dus ook :D

EN DAN SLAAG IK :d:d
laatste aanpassing
 
Waarschuw beheerder
nee dat zou ik ook niet doen, dan wordt het toch ergens lenen......
suc6 ermee
 
Waarschuw beheerder
ik heb ook volgende week examen vmbo verzorging en heb nog geenidee wat ik hierna wil doen!!er zijn zoveel leuke dingen en wil niet iets kiezen waar ik na een jaar weer vanaf wil stappen!
Waarschuw beheerder
donateur
Hoelang vantevoren zijn jullie eigenlijk begonnen met leren??
 
Waarschuw beheerder
ben nou nog niet begonnen:bloos:
Waarschuw beheerder
Morgen maar es met geschiedenis leren (xit dan toch 3 uur in de trein :P).. en dan in 't weekend wiskunde en economie ofzo.. aardig op tijd lijkt me zo.
 
Waarschuw beheerder
Ben vandaag maar es begonnen, maar lukken wil het niet echt!! :)
Waarschuw beheerder
donateur
tsjah..weet nie hoe het me lukt maar ken geschiedenis gewoon al bijna:D

heb gewoon heerlijk 32 punten voor mn examens frans gehaald..ech lekker begin...sta voor geschiedenis 7.0 dus mag lekker 4 halen mja wil wel iets hoger hoor anders is ook zo lullig alles naar beneden halen met je exmanes
Waarschuw beheerder
donateur
ook examen Havo..Loes ? :)

hoe leer je geschiedenis dan.. gewoon vaak doorlezen :s

sta je er goed voor?
Waarschuw beheerder
donateur
Jepz...ech relaxed wel:D:D

Frans: 7.3
Engels: 7.4
Nederlands: 6.9
Ak: 6.9
Economie: 7.5
Geschiedenis 7.0

hoe ik het leer, ik heb het boek van nijgh en versluys, zit zo`n cd-rom bij en zitten antwoorden op de basisvragen bij, dat zijn zeg maar ongeveer alle 'punten' die je moet kennen en tsja als ik de tekst goed heb doorgelezen ga ik die punten door kijken en leren zodat ik het weet

het duurt ff maar heeft wel effect, hoop ik althans:S

en ja doe ook havo:D
laatste aanpassing
Waarschuw beheerder
donateur
ohw zeker relax..

doe je maar in 6 vakken examen?

cd-rom heb ik niet..

maar op internet is ook veel te vinden
Waarschuw beheerder
donateur
Jepz..relaxed he:D:D

ben van 5vwo na 5 havo gegaan en tsja heb veel vakkeen gewoon al afgesloten en alles doen C&M minimaal...kregen we halverwege het jaar ineens gezuer dat we te weinig uren hadden, dit jaar mocht het nog maar de mensen volgend jaar moeten zeg maar ook nog duits 2 bij hebben


kan wel ff kijken of ik die antwoorden hier kan plaatsen..gewoon knippen plakken, wel eindelijk gezeur maar tis ideaal
Waarschuw beheerder
donateur
ohw wel beter..

:)

6x scheelt toch weer 1 O:)

kantoen en samenleving en over nl.

je hoeft maar 3 vakken te leren :D

ik heb het idee dat ik er nog niks van ken.. terwijl ik al wel geleerd heb maja zie het wel
Waarschuw beheerder
donateur
Antwoorden op de basisvragen


Hoofdstuk 1

1 Wie waren de politieke en maatschappelijke gezagsdragers?
De politieke en maatschappelijke gezagsdragers waren de leidinggevende functionarissen van de vier zuilen: de katholieke, de protestantse, de socialistische en de liberale.

2 Hoe gingen de gezagsdragers met elkaar om?
• De gezagsdragers kwamen elkaar in de besturen van verschillende organisaties tegen en vormden vaak onderling een informele, soms hechte band.
• Zij regelden hun problemen onderling, eerst onofficieel en later in een geïnstitutionaliseerd en goed gesmeerd overleg in steeds meer overkoepelingsorganen.

3 Hoe kwamen politieke beslissingen tot stand?
• Elke zuil op zichzelf vertegenwoordigde een minderheid. Een politieke beslissing kon daardoor uitsluitend genomen worden als enkele zuilen tot een compromis konden komen.
• In een zakelijke sfeer overlegden de gezagsdragers van de zuilen met elkaar. Voor zover mogelijk herleidden zij elk vraagstuk tot een kwestie van distributie (verdeling). Het evenredigheidsbeginsel bepaalde de verdeling. Het evenredigheidsbeginsel hield in dat men uitging van de grootte van iedere zuil, die o.a. tot uiting kwam in de getalsverhouding in het parlement.
• In kwesties waarbij de ideologie sterk betrokken was, waren concessies tegenover een andere zuil moeilijk te 'verkopen' aan de eigen achterban. Die achterban zou haar leiders gebrek aan principes verwijten. Besprekingen over deze kwesties werden daarom strikt geheimgehouden. De achterban mocht niets weten van de 'koehandel' die de leiders bedreven.
4 Waarom werd er in de politieke cultuur zoveel nadruk gelegd op consensus en ordening?
In de politieke cultuur werd veel nadruk gelegd op consensus en ordening. De redenen daarvoor waren:
• Onder de politici heerste angst voor een terugkeer van de langdurige werkloosheid die in Europa tijdens de economische crisis van de jaren '30 had geheerst. Om dat te vermijden was eendracht noodzakelijk.
• De Katholieke Volkspartij (KVP) en de Partij van de Arbeid (PvdA) vormden tussen 1946 en 1958 de politieke spil van het regeringsbeleid. Deze partijen vonden een politieke en maatschappelijke consensus van groot belang voor de wederopbouw na de oorlog.
• De maatschappelijke ordeningsdrang kwam ook voort uit de angst voor moreel verval van de bevolking. Men vreesde dat dit verval maatschappelijke of politieke verschuivingen zou meebrengen
• Naar de mening van de gezagsdragers was het politieke en maatschappelijke gezag in de jaren van crisis, bezetting en wederopbouw ondermijnd.
• Ook waren de gezagsdragers bang voor de maatschappelijke gevolgen van de industrialisatie, in het bijzonder voor een 'crisis in het gezin'.

5 Welke consensus ontstond bij de partijen omtrent de taken van
a de staat,
Bij de partijen ontstond langzamerhand een consensus omtrent de taken van de staat en de regering:
• Gaandeweg deelden bijna alle partijen de overtuiging dat de staat verantwoordelijk was voor de kwaliteit van het samenleven.
b de regering?
• De regering moest - in samenwerking met de sociale partners (de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers) - zorgen voor volledige werkgelegenheid, arbeidsrust en sociale zekerheid.

6 Hoe was de politieke cultuur van consensus en ordening in de praktijk zichtbaar?
De politieke cultuur van consensus en ordening werd in de praktijk op veel terreinen zichtbaar:
• De regering verzekerde zich van de instemming van de sociale organisaties:
- Op het terrein van de loonvorming was de regering verplicht om advies te vragen aan de Stichting van de Arbeid.
- Belangrijke delen van haar beleid legde de regering voor aan de Sociaal-Economische Raad
• Tegelijkertijd leidde de regering zelf de besluitvorming rond het loonbeleid.
• De overheid voerde voor het behoud van het gezin als maatschappelijke kerneenheid een actieve gezins- en huwelijkspolitiek. In dit kader werd een nieuw ministerie ingesteld, het ministerie van Maatschappelijk Werk (1952).
• De morele bezorgdheid van de gezagsdragers leidde tot een enorme groei van een netwerk van instellingen voor sociale zorg.

7 Hoe oefenden de politieke gezagsdragers invloed uit op het leven van de Nederlanders?
• De politieke gezagsdragers bestuurden op een hiërarchische wijze en wisten hun achterban goed te bereiken via verzuilde organisaties.
• In het openbaar legden de politieke gezagsdragers de nadruk op de grote ideologische verschillen tussen de zuilen. Deze verschillen werden scherp geformuleerd in de partijprogramma's en via de media onder de achterban verspreid.
• De gezagsdragers heersten ook op het terrein van de persoonlijke omgangsvormen. Zij beschouwden het als hun plicht de bevolking mentaal te beschermen en op te voeden tot fatsoenlijke, zuinige, hardwerkende en gezagsgetrouwe burgers.
• De gezagsdragers deden een beroep op een algemeen besef van saamhorigheid. Zo werden in de jaren 1945-1960 politieke stabiliteit en arbeidsvrede (d.w.z. geen stakingen) gestimuleerd.

8 Hoe reageerden de burgers daarop?
• De achterban in elke zuil liet zich door de gezagsdragers mobiliseren om te ageren tegen de opvattingen die in de andere zuilen leefden. Dat kwam bijvoorbeeld duidelijk tot uiting tijdens de verkiezingsstrijd van 1956.
• Het grootste deel van de bevolking stemde trouw op de partij van de eigen zuil. Bij verkiezingen waren er dan ook nooit grote verschuivingen in de zetelverdeling.
• Slechts weinig mensen lieten een eigen stem in de politiek horen.
• Slechts een miniem deel van de burgers nam actief deel aan de politiek. Dat waren voornamelijk de kaderleden van partij en vakbeweging.

9 Welke ideeën leefden er omtrent:
a gezin,
Het gezin werd algemeen geaccepteerd als de kern van de samenleving
b opvoeding?
De opvoeding binnen het gezin werd gezien als een goede voorbereiding op het maatschappelijk functioneren.

10 a Hoe beïnvloedden ouders het leven van jonge Nederlanders?
Ouders hadden grote invloed op het leven van hun kinderen:
• Bij de opvoeding lag een sterke nadruk op gezag. Ouders hanteerden strenge richtlijnen. Zij vonden dat vooral in de puberteit een strakke opvoeding noodzakelijk was. De pubers moesten niet alleen aan hun ouders gehoorzamen, maar ook aan gezagsdragers buiten het gezin zoals geestelijken, leraren en jeugdleiders.
• Binnen het gezin gold meestal een veronderstelde harmonieuze ongelijkheid (ongelijkheid waardoor in het gezin alles soepel en zonder conflicten zou verlopen).
• Jongens en meisjes werden apart behandeld. Het ideaalbeeld van het harmonieuze gezin bepaalde ook in belangrijke mate het verschil in opvoeding en onderwijs tussen jongens en meisjes.
• De vrijetijdsbesteding van jongeren werd door ouders sterk gereguleerd. Het ideaal was dat jongeren nooit zonder toezicht waren.

b Welke rol speelde de overheid daarbij?
De overheid kwam de ouders te hulp door jeugdwerk en sportverenigingen te subsidiëren. Daarnaast nam de overheid vrijheidbeperkende maatregelen tegen 'zedelijke gevaren' als de bioscoop of de danszaal. Zo was er een landelijke filmkeuring met strikte leeftijdsgrenzen en plaatselijk werden er dansverboden uitgevaardigd.

11 Welke invloed hadden Kerken op het leven van Nederlanders?
• Naast het gezin stond 'de Kerk' in het leven van de meeste Nederlanders centraal. De invloed van Kerken beperkte zich niet tot levensbeschouwelijke zaken, maar strekte zich uit tot verschillende terreinen van het leven o.a. onderwijs, ziekenzorg, armoedebestrijding, vrijetijdsbesteding. Voor deze terreinen bestonden veel verzuilde organisaties, die in toenemende mate door de overheid werden gesubsidieerd.
• De Kerken hadden grote invloed op het onderwijs.
Opvoeding en onderricht binnen eigen zuil of kerkelijk verband vulden opvoeding en onderricht door ouders aan of reguleerden deze. Deze nauwe relatie moest de trouw aan de eigen zuil waarborgen. Trouw zijn aan het gezag was een centrale gedachte bij de opvoeding en het onderwijs.
• De Kerken deden ook aan ziekenzorg en armoedebestrijding.
• Ook de vrijetijdsbesteding stond onder de hoede van de Kerken. De Kerken drongen erop aan buiten het economische terrein contacten met leden van andere zuilen zoveel mogelijk te vermijden.
• Kerkelijke gezagsdragers hadden ook grote invloed op de politiek:
- In de talrijke dorpen en kleine steden maakten de kerkelijke gezagsdragers deel uit van de plaatselijke elite. Als leden van die elite rekenden ze op een vanzelfsprekende erkenning van hun gezag. Dat konden ze doen omdat het denken in hogere en lagere klassen en standen nog volop bestond. Een openlijke ontkenning van dit gezag kon niet alleen leiden tot (al of niet tijdelijke) uitsluiting uit 'de Kerk', maar ook tot verlies van werk of van noodzakelijke voorzieningen.
- Op nationaal niveau hadden de grote kerkgenootschappen door het overwicht van confessionele partijen in de regering en het parlement grote invloed:
* Wetten en regels weerspiegelden een christelijk-ethisch denken.
* De belangen van confessionele groepen kregen voorrang boven de belangen van andersdenkenden, bijvoorbeeld op het terrein van het onderwijs of de gezinspolitiek.
• Niet-kerkelijken voelden zich vaak in hun vrijheden beperkt, bijvoorbeeld als het ging om levensbeschouwelijke keuzes of om regelingen rond de verplichte zondagsrust.

12 Hoe was de vakbeweging georganiseerd?
Er waren drie verzuilde vakcentrales: de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB), het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) en het protestantse Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). Bij elke vakcentrale was een aantal vakbonden aangesloten, bijvoorbeeld de vakbonden van metaalarbeiders, bouwvakkers, mijnwerkers, havenarbeiders. Hiervan was circa 40% van de werknemers lid.

13 Welke invloed hadden arbeidsorganisaties op het leven van Nederlanders?
• De leiders van de vakcentrales werden door de overheid gezien als de spreekbuis van alle werknemers in Nederland. Zij deelden met de politieke leiders een vanzelfsprekend gezag.
• De bonden behartigden niet alleen de materiële belangen van de arbeiders, maar kwamen op voor 'heel de arbeider'. Ze hadden invloed op vele andere terreinen, zoals volksgezondheid, vrijetijdsbesteding, huisvesting, verzekeringen, volksontwikkeling en pers.
• De vakbondsleiders predikten - evenals politieke en kerkelijke gezagsdragers - de boodschap van matiging en zuinigheid in Nederlandse gezinnen.
Op het terrein van de arbeid stonden ze voor sociale harmonie. Dat hield in dat tegenstellingen of conflicten tussen werkgevers en werknemers in goed overleg moesten worden opgelost. Stakingen werden als een verouderd dwangmiddel afgewezen.

14 Waardoor ontstond er vanaf 1955 verzet tegen de koers (van sociale harmonie) van de vakbeweging?
Vanaf 1955 groeide onder arbeiders verzet tegen deze koers: de lonen bleven achter bij de economische ontwikkeling en er werd niets bereikt op het terrein van de economische medezeggenschap van arbeiders.


Hoofdstuk II

1 Welke aspecten van mentaliteitsverandering werden zichtbaar in de Nederlandse samenleving in de periode 1950-1970? (Geef een korte opsomming)
Tussen 1950 en 1970 werd in de Nederlandse samenleving eerst geleidelijk en na 1965 versneld een mentaliteitsverandering zichtbaar:
• Nederlanders gingen andere eisen stellen aan zich zelf, aan elkaar en aan de gezagsdragers,
• mensen werden mondiger,
• tegelijk nam de sociale controle af,
• de wereld van jong en oud werd breder.

2 Wat waren de oorzaken van de mentaliteitsverandering? (Geef hier een korte opsomming)
De mentaliteitsverandering viel samen met ingrijpende sociaal-economische veranderingen. Deze veranderingen kunnen worden beschouwd als de oorzaken van de mentaliteitsverandering:
• snelle en brede industrialisatie,
• meer werk bij overheid en in dienstverlening,
• het toenemen van de mobiliteit,
• het doorbreken van sociale verbanden,
• groeiende welvaart,
• de komst van de verzorgingsstaat,
• de komst van de televisie,
• meer opleiding voor jongeren.

3 Welke veranderingen waren er op het gebied van:
a industrialisatie,
• De industrialisatiepolitiek van de Nederlandse overheid wierp na 1955 haar vruchten af. De industriële basis van Nederland werd sterk verbreed.
• In industriële sectoren werd gestreefd naar efficiënte productie door schaalvergroting en rationalisatie.
• Door fusies en schaalvergroting verdwenen de traditionele kleine bedrijven en de huisindustrie.
• De industriële productiviteit nam aanzienlijk toe.
• Het transportwezen onderging een revolutie.
• De landbouwsector industrialiseerde in een versneld tempo.

b werkgelegenheid,
• De structuur van de beroepsbevolking veranderde. Naast werk in de industrie vonden steeds meer mensen werk in de commerciële dienstverlening (bijvoorbeeld: banken, verzekeringsmaatschappijen, reisbureaus) en bij de overheid (bijvoorbeeld: onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijk werk). Vooral in de landbouw nam de werkgelegenheid drastisch af, terwijl de productie toch bleef stijgen.
• Ook het werk veranderde van karakter. Door de toenemende mechanisering en automatisering nam de lichamelijke arbeid drastisch af, zowel in landbouw als in industrie. In de plaats daarvan kwam arbeid die meer scholing vereiste.

c mobiliteit,
De mobiliteit van de bevolking nam toe. Het werk en bijbehorende scholing concentreerden zich in uitdijende industriële en commerciële stadskernen. Er ontstond daardoor in de jaren '60 een intensief woon- en werkverkeer tussen deze kernen en de forensengemeenten, waar veel werknemers uit de steden gingen wonen. Veel mensen uit de agrarische regio's vestigden zich wegens de werkgelegenheid ook in die forensengemeenten.

d welvaart,
De welvaart groeide. Dankzij deze welvaart ontwikkelde zich een moderne consumptiemaatschappij, naar Amerikaans model. In een consumptiemaatschappij staan niet meer de noodzakelijke levensbehoeften centraal, maar de behoeften aan luxe en status.

e overheidszorg,
In de jaren '50 en vooral de jaren '60 kwam de verzorgingsstaat tot stand. In een verzorgingsstaat rekent de overheid het tot haar taak niet alleen de veiligheid, maar ook de welvaart en het welzijn van de burgers te garanderen.

f wereldbeeld,
Het medium televisie verbreedde het wereldbeeld van Nederlanders. Door de televisie maakten veel Nederlanders kennis met andere ideeën en opvattingen dan die van hun eigen zuil.

g sociale verbanden,
Door de veranderende woon- en werkomstandigheden en door de ontkerkelijking werden traditionele sociale verbanden minder sterk of gingen geheel verloren. Deze traditionele sociale verbanden waren kenmerkend voor de kleine steden en dorpen.

h opleiding?
De hogere eisen die het productieproces aan het scholingspeil stelde, leidden tot een forse uitbreiding van de deelname aan hoger onderwijs. Kinderen uit middengroepen en uit een deel van de arbeidersklasse werden door studiebeurzen (1961) en kinderbijslag in staat gesteld hogere opleidingen te volgen en kregen meer kans op een 'goede baan'.

4 Wat waren de gevolgen van deze mentaliteitsverandering ?
• De jaarlijkse stijging van lonen en de toegenomen vrije tijd in de jaren '60 gaven Nederlanders meer zelfvertrouwen.
• Door de groeiende welvaart en de komst van de verzorgingsstaat voelden Nederlanders zich niet meer zo afhankelijk van de traditionele gezagsdragers. In geval van nood was er nu recht op een uitkering van overheidswege, vastgelegd in de Algemene Bijstandswet (1963).
• Er begon in de Nederlandse samenleving een secularisatieproces op gang te komen. 'Secularisatie' betekent letterlijk: 'verwereldlijking, zich richten op de 'wereld' (het leven op aarde). Er wordt mee bedoeld dat de invloed van godsdienst en kerkelijke gezagsdragers op het leven van de mensen steeds kleiner werd.
• Door deze secularisatie werd ook de verzuiling minder sterk. Dat wordt 'ontzuiling' genoemd.

5 Welke gevolgen werden in de politieke cultuur zichtbaar? (Geef hier een korte opsomming)
In de politieke cultuur werden gevolgen van de mentaliteitsverandering en de sociaal-economische veranderingen zichtbaar:
• de gezagsdragers waren bereid tot aanpassing;
• de positie van de gehuwde vrouw verbeterde,
• moralisme maakte plaats voor tolerantie,
• de vakbonden werden strijdbaarder,
• onder intellectuelen en jongeren ontstond oppositie.

6 Waarom waren gezagsdragers bereid tot aanpassingen/veranderingen in de politieke cultuur?
In de loop van de jaren '50 raakten veel gezagsdragers er geleidelijk van overtuigd dat Nederland op weg was naar een andere samenleving. Om onrust, spanningen en geweld bij de overgang naar de nieuwe samenleving te vermijden en greep op de bevolking te houden vonden gezagsdragers het verstandig vroegtijdig tot aanpassing te komen.

7 Welke veranderingen waren er op het gebied van:
a de positie van de gehuwde vrouw,
De confessionele meerderheid in het parlement blokkeerde niet langer veranderingen in de positie van de gehuwde vrouw:
• In 1955 nam de Tweede Kamer de motie-Tendeloo aan. Deze motie drong aan op afschaffing van de bepaling dat gehuwde vrouwen niet in overheidsdienst mochten werken.
• In 1956 werd ook de 'handelingsonbekwaamheid' van de gehuwde vrouw afgeschaft.

b de mentaliteit van de gezagsdragers,
In de politieke cultuur maakte moralisme geleidelijk plaats voor tolerantie. Daaraan droegen de Kerken bij. In kerkelijke kringen lag het initiatief bij het bestuur van de Nederlands-Hervormde Kerk. In het begin van de jaren '60 volgden katholieke leiders als bisschop Bekkers deze lijn. Ze predikten openheid, eenheid en individuele verantwoordelijkheid in de samenleving.

c de mentaliteit van de vakbonden,
Onder druk van een groot ledenverlies verlegden vakbonden hun koers. In plaats van de verdediging van algemene maatschappelijke belangen richtten zij zich op de verdediging van de materiële belangen van hun leden. Ze waren ook in toenemende mate bereid tot een confrontatie met overheid en met werkgevers.

d de mentaliteit van intellectuelen en jongeren?
• Het verzuilde politieke bestel stond in de ogen van politiek betrokken groepen intellectuelen een zakelijke-neutrale benadering van 'een samenleving in verandering' in de weg. In deze kringen was de ergernis over het Bisschoppelijk Mandement (1954) groot.
• Binnen de verzuilde organisaties namen de beter geschoolde jongere generaties langzaam maar zeker afstand van de opvattingen van de verzuilde elite. Sociaal-politieke problemen moesten volgens hen pragmatisch worden opgelost door een moderne overheid met haar ambtenarenapparaat.
• Onder intellectuelen en jonge professionelen groeide de behoefte aan vernieuwing. Ze waren ontstemd over de ondoorzichtige wijze waarop een oudere generatie bestuurders haar macht uitoefende. In de eerste helft van de jaren '60 sympathiseerden ze met de eerste maatschappelijke protestbewegingen onder jongeren tegen onder andere de NAVO en de nucleaire bewapening.


Hoofdstuk III

1 Welke verandering trad er op in de houding van jongeren ten opzichte van het gezag?
De houding van jongeren ten opzichte van het gezag veranderde. Veel jongeren toonden steeds minder respect voor gezag en gezagsdragers. Dat kwam het duidelijkst tot uiting bij de 'nozems' onder de werkende jeugd en de 'existentialisten' onder de schoolgaande jeugd. Maar er was vaak eerder sprake van een vertrouwensbreuk dan van een gezagscrisis.

2 Hoe werd die verandering zichtbaar bij de werkende jeugd?
De werkende jeugd ontwikkelde een eigen leefstijl. Deze manifesteerde zich het opvallendst bij de 'nozems'.

3 Hoe werd die verandering zichtbaar bij schoolgaande jongeren?
Schoolgaande jongeren - met name uit de maatschappelijke middengroepen - ontwikkelden eigen subculturen. Bepaalde kenmerken van deze jeugdculturen als een eigen gedrag, eigen uiterlijk en eigen opvattingen, onder andere over seksualiteit, botsten met de traditionele normen en waarden van de gezagsdragers.

4 Welke specifieke ontwikkelingen stimuleerden deze verandering?
• Werkende jongeren gingen meer verdienen, doordat de jeugdlonen wegens de groeiende vraag naar arbeid stegen. Bovendien hoefden ze niet meer zoals vroeger hun hele loon aan hun ouders af te dragen, maar alleen een meestal klein deel daarvan als 'kostgeld'.
• Schoolgaande jongeren kregen meer zakgeld, omdat het gezinsinkomen steeg. Hierdoor konden de jongeren zich brommers, transistorradio's en grammofoons aanschaffen en meer uitgaan. Jongeren beschikten daardoor over meer mogelijkheden voor eigen vrijetijdsbesteding:
• Vanaf het einde van de jaren '50 volgden steeds meer jongeren minstens tot hun 18de jaar volledig dagonderwijs. Universiteiten werden vanaf het midden van de jaren '60 overstroomd door jaarlijks steeds grotere studentenaantallen.
• Doordat veel jongeren langer onderwijs volgden, werden belangrijke levenservaringen in toenemende mate opgedaan in schoolverband. Het gezinsleven werd voor hen minder belangrijk. De afstand tot de ouders, die vaak minder geschoold waren, werd groter.
• Ouders en andere gezagsdragers kregen 'begrip' voor de jeugd. Onder de indruk van snelle veranderingen in de samenleving lieten zowel ouders als andere gezagsdragers de strenge traditionele opvoedingsmethoden geleidelijk los. Ze toonden soms openlijk respect voor de 'idealen van de jeugd'. Ze stimuleerden jongeren tot deelname aan de politiek, die tot voor kort het terrein van oudere generaties was. Binnen een aantal politieke partijen wisten jongerenafdelingen vernieuwingen af te dwingen.

5 Hoe confronteerden jongeren gezagsdragers met hun eisen?
• De provo's voerden ludieke acties.
In 1965 ontstond in Amsterdam de provobeweging. Provo voerde vooral ludieke acties op straat. De 'burgerlijke' welvaartssamenleving werd daarbij aan de kaak gesteld. Daartegenover stelde Provo eigen waarden: vrijheid, gelijkheid en creativiteit. Met eenvoudige provocaties verleidden provo's het gezag telkens weer tot massaal en buitensporig geweld. Zo brachten zij het gezag in diskrediet. De provo's zagen het belang van de media voor hun acties in. Daarom zorgden zij ervoor dat er bij hun acties altijd media - bij voorkeur televisie - aanwezig waren.
• Scholieren en studenten hielden 'sit-ins', 'teach-ins' en 'happenings'.
Naar het voorbeeld van de provo's gingen groepen beter opgeleide jongeren in delen van het land de straat op voor 'meer democratie in de samenleving', voor 'inspraak' en 'medezeggenschap'. Zij hanteerden actievormen waarop politieke gezagsdragers niet snel greep kregen, zoals de 'sit-in', de 'teach-in' en de 'happening'.
• Studenten bezetten universiteiten.
Verzet tegen politiek gezag en verzet tegen maatschappelijk gezag gingen aan het einde van de jaren '60 hand in hand. Om een democratisering van de gezagsverhoudingen af te dwingen kozen studenten voor het actiemiddel bezetting.
• Scholieren eisten democratisering.
In het onderwijs werden de autoritaire gezagsstructuren en het leerprogramma fel bekritiseerd.
Vanaf 1970 volgden groepen scholieren in het voorgezet onderwijs het voorbeeld van de studenten, of dreigden ermee. Ze vroegen om leerlingenparlementen, inspraak in het rooster en egalitaire gedragsvormen binnen school.
• Er werd geprotesteerd tegen de oorlog in Vietnam en talloze 'misstanden':
- Het groeiend verzet tegen de oorlog in Vietnam stimuleerde landelijke protestbewegingen.
- In de jaren '70 werd de politieke protestbeweging van jongeren breder. Actievoeren tegen al dan niet vermeende misstanden werd min of meer vanzelfsprekend. 'Het gezag' diende kritisch te worden benaderd.
• Er werd geprotesteerd met en zonder geweld:
- Een deel van de jongeren, bijvoorbeeld in de kraakbeweging, koos voor radicalere vormen van buitenparlementair verzet. Daarin werd het gezag van de overheid ter discussie gesteld of afgewezen. Veel 'krakers' gingen de strijd aan met de politie.
- Een ander deel van de jongeren hield vast aan ludieke acties tegen de overheid en wees zo op gebreken of tekorten in de samenleving, een trend die aan het eind van de jaren '60 was ingezet door de Kabouterbeweging.
De Kabouterbeweging manifesteerde zich in de jaren 1970-71. Het was in hoofdzaak een herleving van Provo. De voornaamste woordvoerder van zowel Provo als de Kabouterbeweging was Roel van Duyn, de 'opperkabouter'. Hij koos de kabouter als symbool van de mens die op een juiste manier met de natuur leeft.

6 Hoe reageerden de (politieke) gezagsdragers?
Hard optreden veranderde in tolerantie:
• Autoriteiten sloegen in eerste instantie de ondermijnende aanvallen van jongeren op hun gezag af. Het harde optreden van de politie tegen bijvoorbeeld provo's verdedigden ze vanuit een nog heersende regentenmentaliteit.
• Geleidelijk kozen gezagsdragers voor een meer flexibele en tolerante benadering. Het autoritaire gedrag veranderde in een milde vorm van paternalisme (op 'vaderlijke' wijze gezag uitoefenen), onder andere zichtbaar in milde vormen van rechtshandhaving. Door openlijk begrip te tonen, veel gesprekken te voeren en inspraak te geven hoopten ze de greep op jongeren en hun organisaties te herstellen.
• Vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid (zich niet houden aan de regels) werden lange tijd door de overheden geaccepteerd zo lang deze maar niet gepaard gingen met geweld of beschadiging van eigendommen.

7 Welke ontwikkelingen in de jaren '70 wezen op een veranderde positie van jongeren?
• Jongeren kregen inspraak in de politiek:
- Overheden en volksvertegenwoordigers waren eerder bereid tot een publieke verantwoording ten overstaan van kritische jongerengroepen. Georganiseerde jongerengroepen kregen gemakkelijker toegang tot overheden en parlement.
- Partijen deden hun best door het vernieuwen van partij- en verkiezingsprogramma's jongeren voor zich te winnen.
- Ook werd de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd tot 18 jaar (1972).
• Jongeren kregen medezeggenschap in het onderwijs.
Op scholen kregen leerlingen medezeggenschap, bijvoorbeeld door het instellen van schoolparlementen.
• Jongeren kregen meer rechten in het leger.
In het leger wist de VVDM (Vereniging van Dienstplichtige Militairen) meer rechten te verkrijgen voor dienstplichtige militairen.


Hoofdstuk IV

1 Welke veranderingen werden zichtbaar in de traditionele gezagsverhoudingen binnen het gezin en tussen de seksen?
In de traditionele gezagsverhoudingen binnen het gezin en tussen de seksen veranderde veel:
• Vrouwen werden zelfstandiger:
- Het ideaalbeeld van het gezin met daarin de traditionele rollen van de echtgenote/moeder en van meisjes kwam sterk onder druk te staan. Dit ideaalbeeld werd steeds minder aanvaard.
- Het percentage gehuwde vrouwen die beroepsarbeid verrichtten, steeg geleidelijk
- Veel vrouwen werden zich scherper bewust van ongelijkheid tussen de seksen op de arbeidsmarkt en in de politiek.
• Binnen het gezin ontstond individualisering.
In samenhang met deze ontwikkelingen voltrok zich een algemeen proces van individualisering. De gezinsleden wilden veel meer 'voor zichzelf' leven. Het gedrag in gezinsverband werd niet meer bepaald door de traditie, maar door persoonlijke behoeften. Dat uitte zich onder andere in het losser worden van de huwelijksmoraal.
• Nieuwe samenlevingsvormen ontstonden.
In de jaren '70 ontstonden naast het traditionele gezin nieuwe vormen van samenleven en ouderschap.

2 Welke oorzaken droegen bij tot die veranderingen?
Verschillende oorzaken droegen bij tot deze veranderingen:
• De uitvinding van de pil.
Door de komst van de pil (1963) konden vrouwen veel beter bepalen hoeveel kinderen ze wilden krijgen. Ook ging men daardoor geslachtsverkeer en voortplanting losser van elkaar zien.
• De vraag naar gehuwde vrouwen op de arbeidsmarkt steeg.
De toetreding van de gehuwde vrouw tot de arbeidsmarkt werd bevorderd door een complex van factoren: allereerst ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Het aantal ongehuwde (werkende) vrouwen nam af, terwijl de vraag naar arbeid in de sectoren verpleging, onderwijs en administratie juist toenam.
• In het huishouden was minder werk nodig.
Gehuwde vrouwen konden ook gemakkelijker gaan werken door ontwikkelingen thuis: de mechanisering van het huishouden en na 1965 de daling van het kinderaantal. Daardoor nam het werk in het huishouden af en waren vrouwen eerder 'uit de kleine kinderen'.
• Meisjes en vrouwen verkleinden hun onderwijsachterstand.
In de jaren '60 verkleinden de meisjes en vrouwen hun onderwijsachterstand op jongens en mannen. Steeds meer meisjes kregen vervolgonderwijs, al kwamen ze nog vaak in lagere onderwijssoorten terecht (Mulo/Mavo, huishoudschool/lager beroepsonderwijs).
• Eind jaren '60 vonden ideeën over gelijkheid grote weerklank. Voorbeelden daarvan zijn: 'recht op zelfontplooiing' en 'gelijke kansen voor iedereen'.
• De tweede feministische golf ontstond.
Tussen 1968 en 1970 ontstond in Nederland de 'tweede feministische golf'. Twee feministische organisaties, ManVrouwMaatschappij (MVM) en Dolle Mina, gaven dit feminisme vorm.

3 a Wat wilden Dolle Mina en MVM bereiken?
Zij kwamen op voor een gelijke positie van vrouwen in de maatschappij.
b In welke opzichten verschilden Dolle Mina en MVM?
Voor Dolle Mina vormde het ludieke anarchisme van Provo de grondslag. Dolle Mina richtte fel de publieke aandacht op de achterstelling en onderdrukking van vrouwen en bepleitte feministische doelstellingen: legalisering van abortus, gratis kinderopvang en gelijkstelling van mannen en vrouwen in arbeid en onderwijs.
MVM trad verhoudingsgewijs gematigder op. Deze pressie- en lobbygroep spande zich meer pragmatisch in voor gelijke kansen van vrouwen. Zij vroeg om 'positieve discriminatie', een voorrangsbeleid voor vrouwen bij de benoeming in publieke functies.

4 Wat was het belangrijkste actiepunt van de 'tweede feministische golf'?
Het belangrijkste actiepunt van deze tweede feministische golf vormde de strijd voor een nieuwe abortuswetgeving. In de jaren '70 vonden acties en demonstraties plaats, waarbij vooral Dolle Mina en het actiecomité 'Wij Vrouwen Eisen' betrokken waren. Hoogtepunt vormde de bezetting van de Bloemenhovekliniek, een abortuskliniek die in 1976 met sluiting bedreigd werd.

5 Wat waren de reacties van de gezagsdragers?
• Confessionele politici verzetten zich lang tegen legalisatie van abortus.
Tot ver in de jaren '70 hielden confessionele politici en maatschappelijke gezagsdragers vast aan traditionele opvattingen rond huwelijk en gezin.
Het centrale strijdpunt in de jaren '70 vormde de abortuskwestie. Tussen 1970 en 1981 werden zeven wetsvoorstellen ingediend om de abortus te regelen.
Ze werden alle door de Tweede of Eerste Kamer verworpen, omdat ze ofwel te ver gingen (volgens de confessionele partijen), ofwel niet ver genoeg (volgens de andere partijen).
Met moeite werd in 1981 een politieke meerderheid gevonden voor een compromis: abortus bleef opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, maar was niet meer strafbaar, mits de wetsregels werden nageleefd (zwangerschap van niet langer dan drie maanden, vijf dagen bedenktijd voor de vrouw).
• De overheid gaf geleidelijk toe aan de vrouwenbeweging:
- Tijdens de jaren '70 wijzigde de overheid geleidelijk haar beleid ten gunste van de wensen van de vrouwenbeweging.
- Dankzij een wetswijziging in 1971 werd de echtscheiding bij gemeenschappelijk verzoek ingevoerd en kon de rechter niet meer het bewijs van' duurzame ontwrichting' van het huwelijk eisen. Ook echtscheiding op eenzijdig verzoek werd voortaan mogelijk.
- Vanaf 1974 ging de Nederlandse regering een officieel emancipatiebeleid ontwikkelen. In december 1974 werd de Emancipatiecommissie geïnstalleerd. Deze commissie, bestaande uit negen vrouwen en vijf mannen, moest aan de regering advies uitbrengen over het te voeren emancipatiebeleid.
- Aangezet door Europese richtlijnen heeft de overheid tussen 1975 en 1980 wetgeving voor gelijkheid bij arbeid en in sociale zekerheid tot stand of op gang gebracht.

6 Welke ontwikkelingen in de jaren '70 wezen op een verander(en)de positie van vrouwen in de politieke cultuur?
De positie van vrouwen in de politiek is in de loop van de jaren '70 aanzienlijk versterkt:
• In het parlement, de provinciale staten en de gemeenteraden steeg het aandeel van vrouwelijke politici. Ook het aantal vrouwelijke ministers, wethouders en burgemeesters nam toe.
• Van 1977 tot 1986 waren er staatssecretarissen voor Emancipatiezaken.
• De Emancipatiecommissie werd in 1981 opgevolgd door de Emancipatieraad. Deze kon gevraagd en ongevraagd adviezen uitbrengen over emancipatiekwesties.
• Ook in de politieke partijen kregen vrouwen meer invloed, vooral via vrouwenorganisaties als de 'Rooie Vrouwen' in de PvdA. De politieke partijen wilden meer plaats inruimen voor vrouwen. Vrouwen kwamen daardoor gemakkelijker op een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst.
• Politieke of maatschappelijke vrouwenorganisaties kwamen in aanmerking voor subsidies van de overheid.

Hoofdstuk V

1 Welke veranderingen werden in de jaren '60 zichtbaar in de houding van de media ten opzichte van het gezag?
• De media gingen eigen meningen uitdragen.
Tot begin jaren '60 hadden journalisten in de ogen van de elite een dienende functie. En de journalisten waren bereid die functie te vervullen. Er was dus weinig ruimte voor een kritische benadering. Het nieuws werd gebracht volgens de opvattingen van de eigen zuil. In de politieke berichtgeving was er een grote, kritiekloze aandacht voor autoriteiten. Maar in het midden van de jaren '60 kwam een nieuwe generatie journalisten op die hun onafhankelijkheid wilden bewijzen.
• Beleefdheid maakte plaats voor ironie en kritiek.
Kenmerkend voor de media in de jaren '50 was de traditionele beleefdheid tegenover gezagsdragers. Tussen journalisten en gezagsdragers was er een grote en eerbiedige afstand. Ministers werden met 'excellentie' aangesproken en hun voornamen werden nooit genoemd.
In de jaren '60 maakte dat plaats voor een kritische en ironische benadering van het gezag. Aan fouten en spanningen onder politici werd veel aandacht geschonken.

2 Welke oorzaken droegen bij tot die veranderingen?
• De dagbladen 'ontzuilden':
- Het aantal zelfstandige dagbladondernemingen liep terug van 54 in 1960 naar 28 in 1976. De oorzaken daarvan waren schaalvergroting en fusies, maar ook ontzuiling. Veel verzuilde dagbladen verdwenen.
- Weinig dagbladen hielden nog onverkort vast aan de levensbeschouwelijke of religieuze beginselen van hun zuil.
- De nieuwe generatie journalisten was breder opgeleid. De jonge journalisten hadden een universitaire opleiding of hogere beroepsopleiding gevolgd. De meesten waren vernieuwingsgezind. Zij hadden de ambitie hun eigen mening uit te dragen en niet meer die van een bepaalde zuil.
• De verzuilde omroepen kregen concurrentie van commerciële zenders en van de TROS en Veronica:
- Vóór 1960 was nog het uitgangspunt dat commercie in de ether in strijd was met de opvoedende waarde van de omroep. In de eerste helft van de jaren '60 beheerste een discussie over het toestaan van commerciële omroep de politiek en de mediawereld. Vooral het bedrijfsleven drong aan op het toelaten van commerciële omroepen.
In 1967 werd reclame op radio en tv toegestaan (de STER-blokken), maar commerciële omroepen bleven tot 1991 verboden.
- Het verzuilde omroepbestel werd opengegooid met de komst van de TROS (1966), die niet gebonden was aan een zuil. Later volgde de Veronica Omroep Organisatie (1976), nu zowel op radio als tv. Het waren beide niet-commerciële publieke omroepen.
• De omroepen wilden vooral populaire 'eigen' programma's maken:
- De televisie werd een geliefd massamedium voor de besteding van de toegenomen vrije tijd. Actualiteitenrubrieken besteedden steeds meer aandacht aan politieke onderwerpen. De kritische toon werd door veel kijkers erg gewaardeerd, waardoor de actualiteitenrubrieken tot de meest bekeken programma's gingen behoren.
- De omroepen werden door de ontzuiling van de samenleving voor keuzen geplaatst. Herkenbaarheid werd minder bepaald door de eigen identiteit en meer door 'de programma's die het 'm doen'.

3 Hoe kwamen de media in botsing met de gezagsdragers?
• 'Beeldreligie' wekte de woede van de gezagsdragers.
Het onderdeel 'Beeldreligie' van het satirische VARA-programma 'Zo is het toevallig ook nog 's een keer' (1964) vormde de eerste grote botsing van een nationale omvang.
In de discussie die volgde, werd een generatieconflict tussen de gevestigde gezagsdragers en de naoorlogse generatie zichtbaar.
• Media namen het op voor de opstandige jongeren.
Progressieve kranten en tijdschriften namen in de tweede helft van de jaren '60 stelling tegen de gevestigde autoriteiten en identificeerden zich met de opstandige jongeren (Provo, studenten) en hun ideeën. Een deel van de pers stapte over van gezagsgetrouwe naar kritische journalistiek.
• De televisie gaf een negatief beeld van de gezagsdragers:
- Dat gebeurde bij het optreden van de politie bij de provo-rellen in Amsterdam, 1965-1966.
- Ook de rechtstreekse uitzendingen over de politiek aan het Binnenhof gaven vaak een negatief beeld van gezagsdragers en politici. Het eerste en bekendste voorbeeld daarvan was de televisieregistratie van de 'Nacht van Schmelzer' (1966). In die nacht bracht KVP-fractieleider Norbert Schmelzer het kabinet-Cals ten val.
• De media oefenden druk uit op de gezagsdragers:
- De media zorgden ervoor dat 'onbespreekbare' zaken (zoals de legalisering van de verkoop van voorbehoedmiddelen, abortus en homofilie) of nieuwe thema's (zoals milieu, jeugdcultuur, vredesbeweging en Derde Wereld) toch op de politieke agenda kwamen te staan.
- In de jaren '70 speelden de media een belangrijke rol in de maatschappelijke discussie rond kwesties waar het gezag van de overheid in het geding was, bijvoorbeeld rond de kraakbeweging.

4 Wat waren de reacties van gezagsdragers?
• De gezagsdragers probeerden aanvankelijk hun invloed op de media te behouden.
Tot in de tweede helft van de jaren '60 probeerden gezagsdragers op de oude manier hun invloed op de verzuilde media te handhaven: zij oefenden druk uit op de media van 'hun' zuil om loyaal te zijn en zich te houden aan geschreven en ongeschreven regels. Dat hield onder andere zelfcensuur in: geen kritiek op gezagsdragers van de eigen zuil. Maar dit lukte steeds minder goed.
• De gezagsdragers gingen meer gebruik maken van de media.
In de jaren '70 werd het aantal politieke (actualiteiten)programma's op radio en televisie opvallend groot. De politieke strijd werd daardoor persoonlijker. Een lijsttrekker moest 'telegeniek' zijn. Daarom wilden politici graag invloed op de media herwinnen of behouden. Zij probeerden dat op nieuwe manieren: door het 'wekelijks gesprek met de minister-president', het aanstellen van persvoorlichters en het volgen van communicatietrainingen.
• De regering was niet meer bereid tot optreden tegen media.
Om consensus te bewaren tussen voor- en tegenstanders van maatschappelijke vernieuwing was de regering steeds minder bereid in te grijpen bij 'ongewenst gedrag' van de media.

5 Welke ontwikkelingen in de jaren '70 wezen op een blijvende veranderde positie van de media in de politieke cultuur?
• De media werden onmisbaar voor burgers en politiek, want zij speelden een belangrijke rol als intermediair tussen burgers en politiek:
- In verkiezingstijd werd de politieke strijd niet zozeer uitgevochten in het parlement, in zaaltjes of op straat, maar op de televisie ('de media zijn de campagne').
- Door de ontzuiling nam het aantal 'zwevende kiezers' (mensen die nog niet wisten op welke partij ze eventueel zouden stemmen) sterk toe. Om de zwevende kiezers te bereiken waren de media onmisbaar voor de politiek.
• Media en politiek hadden elkaar nodig.
Tussen media en politiek ontstond een ambivalente verhouding: men had elkaar nodig, maar dan vanuit verschillende belangen.
De politiek had de media nodig:
- Meer dan voorheen bepaalden de media wat nieuwswaarde had.
- Om hun beleid aan het publiek te 'verkopen' waren politieke partijen en overheid sterk aangewezen op de media.
De media hadden de politiek nodig:
- Voor het vroegtijdig verkrijgen van betrouwbare informatie werden media sterk afhankelijk van de overheid of van politieke partijen.
• Er waren geen formele banden meer tussen media en politieke partijen.
De formele banden tussen media en politieke partijen waren eind jaren '60 grotendeels verbroken. Deze formele banden werden niet hersteld. De informele banden met politieke partijen bleven wel duidelijk aanwezig. Dat was bijvoorbeeld zichtbaar in actualiteitenprogramma's en in de aanstelling van directeuren.


Hoofdstuk VI

1 Welke veranderingen waren er in de samenleving wat betreft de houding ten aanzien van politiek?
In de samenleving groeiden bezwaren tegen het verzuilde politieke bestel:
• 'De Nacht van Schmelzer' bevestigde deze bezwaren en werd een symbool voor de vermeende onbetrouwbaarheid van de politici, vooral die van de KVP.
• Openlijk werd de bestaande praktijk van politieke machtsvorming ter discussie gesteld. Er kwam in het bijzonder kritiek op de wijze waarop tussen 1958 en 1965 coalities waren gevormd.

2 Hoe werkten die veranderingen in de samenleving in de Haagse politiek door?
De veranderingen in de samenleving werkten door in de Haagse politiek:
• Actiegroepen gingen politici bestoken. Volksvertegenwoordigers en de leden van de regering werden bestookt door actiegroepen die inspraak en medezeggenschap eisten. Voorbeelden daarvan waren, naast Dolle Mina en MVM, vooral de talrijke milieu-actiegroepen.
• Een deel van de volksvertegenwoordigers in Den Haag zocht op zijn beurt 'de straat' op en speelde veel meer dan vóór 1966 in op protestbewegingen op landelijk en op lokaal niveau.
• In de politiek maakte de consensusgedachte plaats voor een scherpe polarisatie (het benadrukken van verschillen en tegenstellingen tussen de partijen). Ze werd zichtbaar in de debatten tussen volksvertegenwoordigers in en buiten het parlement.

3 Hoe werkte de polarisatie in de arbeidsverhoudingen door?
Door de economische teruggang na 1969 verkilden de arbeidsverhoudingen verder.
• De vakbeweging liep te hoop tegen bedrijfssluitingen en massale ontslagen.
• Om een einde te maken aan de economische neergang en de scherpe polarisatie op het terrein van de arbeid koos de regering voorzichtig voor een nieuwe geleide loonpolitiek via de wet op de loonvorming (1970). Door deze wet kon de regering CAO's (met een volgens de regering te sterke loonstijging) ongeldig verklaren.
• De vakbeweging eiste in ruil voor de looningrepen van bovenaf ver gaande concessies van de overheid, onder andere verdere inkomensnivellering, bescherming van de sociale zekerheid en medezeggenschap.
• De ondernemers waren fel tegen zulke hervormingen. Zij wilden een verdere liberalisering van de arbeidsverhoudingen: minder overheidsingrijpen en meer ruimte voor onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

4 a Welke politieke vernieuwingsbewegingen ontstonden er eind jaren '60?
Eind jaren '60 ontstonden er In Nederland politieke vernieuwingsbewegingen:
• D'66 (Democraten '66) werd opgericht vlak na de 'Nacht van Schmelzer'.
• Binnen de PvdA ontstond in 1966 'Nieuw Links'.
• De PPR (Politieke Partij Radicalen) werd in 1968 opgericht.

b Wat wilden deze politieke vernieuwingsbewegingen bereiken?
• D'66 streefde naar een participatiedemocratie (een democratie waarin de burgers een actief aandeel zouden hebben). Dat moest als volgt worden bereikt:
- Het oude partijenstelsel zou moeten 'ontploffen' en worden vervangen door een partijenstelsel bestaande uit een progressief en een conservatief blok. Dat stelsel zou de kiezers directe invloed geven op een toekomstig kabinet: de kiezers konden uitmaken of het een conservatief of een progressief kabinet zou zijn.
- De minister-president zou rechtstreeks door de bevolking moeten worden gekozen.
- Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging moest worden vervangen door een districtenstelsel om zo de band tussen kiezer en gekozene te versterken.
• Nieuw Links ging het vooral om politieke vernieuwing in de PvdA, met name versterking van de interne partijdemocratie.
• De PPR wilde zeggenschap voor 'de basis'.

5 Welke effecten hadden de vernieuwingsbewegingen op de politiek?
Door de vernieuwingsbewegingen traden er veranderingen op in de politiek:
• De oude politieke gezagsdragers kregen het moeilijk:
- De politieke partijen moesten zich bij iedere verkiezing waar maken tegenover kritische kiezers. Deze kiezers stelden onderdelen van het politieke bestel en het gedrag van politieke autoriteiten ter discussie.
- In plaats van te 'preken voor eigen parochie' moest via een moderne verkiezingscampagne het groeiend aantal zwevende kiezers worden benaderd.
- De politieke leiders van de grote partijen, rond 1960 aangetreden (bijvoorbeeld Schmelzer van de KVP, Biesheuvel van de ARP en Vondeling van de PvdA), hadden veel moeite met de grotere participatie van de kiezers. Ze lieten de autoritaire stijl van hun voorgangers varen, maar wisten vaak geen goed antwoord op de nieuwe uitdagingen vanuit de maatschappij. Dit maakte hen kwetsbaar.
Door het instellen van verschillende commissies gaven ze de indruk politieke hervormingen voor te staan. Een voorbeeld daarvan was de commissie ter herziening van de grondwet (1967).
• Het Progressief Akkoord (PAK) kwam tot stand.
Dankzij Nieuw Links kwam het Progressief Akkoord (PAK) tussen PvdA, D'66 en PPR in 1970 tot stand. Het PAK hield in dat deze drie partijen vóór de verkiezingen een regeerakkoord sloten (punten die zij zouden uitvoeren als zij het nieuwe kabinet konden vormen). Het regeerakkoord was gebaseerd op een gezamenlijk verkiezingsprogramma.
Bij de Kamerverkiezingen van 1971 en 1972 presenteerden PvdA, D'66 en PPR ook een 'schaduwkabinet' aan de kiezers. Het 'schaduwkabinet' bestond uit personen die het kabinet zouden gaan vormen als de drie partijen bij de verkiezingen de meerderheid zouden krijgen.
• Het kabinet-Den Uyl probeerde vernieuwingen door te voeren.
Premier Den Uyl presenteerde zijn ministers als een progressief kabinet. Het zou het gezamenlijk verkiezingsprogramma 'Keerpunt '72' van de 'progressieve drie' (PvdA, D'66, PPR) uitvoeren. In dit programma kondigden ze diepgaande maatschappelijke hervormingen aan om te komen tot 'spreiding van inkomen, kennis en macht'.
De 'progressieve drie' zetten zich scherp af tegen het confessioneel-liberale beleid dat tussen 1967 en 1972 gevoerd was. Dat was er in hun ogen totaal niet in geslaagd om de vraagstukken van inflatie, werkgelegenheid, milieu, inkomensongelijkheid en politieke participatie aan te pakken.

6 Welke politieke en sociaal-economische vernieuwingen stond het kabinet-Den Uyl voor?
Het kabinet-Den Uyl legde voorstellen voor structurele vernieuwingen aan de Tweede Kamer voor:
• Nivellering van de inkomens.
Het verschil tussen hoge en lage inkomens moest kleiner worden.
• Een nieuwe regeling van de ondernemingsraden.
De ondernemingsraden (vertegenwoordigers van werknemers in bedrijven en instellingen) moesten meer zeggenschap krijgen.
• Een wijziging van de grondpolitiek
Als de overheid grond had aangewezen als terrein voor woningbouw of als industrieterrein, mochten de grondprijzen niet opgedreven worden. Bij onteigening moesten de grondeigenaren slechts de 'gebruikswaarde' als landbouwgrond vergoed krijgen.
• De vermogensaanwasdeling.
De arbeiders zouden moeten kunnen delen in de winst die bedrijven maakten.
• Grotere invloed van de kiezers.
Het kabinet wilde ook de kiezers meer invloed geven op de samenstelling en het beleid van de kabinetten om zo een einde te maken aan de 'achterkamertjespolitiek' na de verkiezingen. Om dit te bereiken wilde het kabinet de gekozen minister-president en een districtenstelsel invoeren.

7 Door welke oorzaken kon het kabinet-Den Uyl veel voorgenomen vernieuwingen niet realiseren?
Als oorzaken van de gedeeltelijke mislukking van het kabinet-Den Uyl kunnen worden beschouwd:
• Doordat de 'progressieve drie' bij de verkiezingen geen meerderheid hadden behaald, was Den Uyl gedwongen in zijn kabinet ook ministers van de KVP en AR op te nemen. Het kabinet werd door KVP en AR 'gedoogd', maar moest er wel goed voor oppassen niet te ver te gaan. Het kabinet kwam er uiteindelijk door ten val.
• De 'linkse' ministers kregen van hun achterban nauwelijks ruimte om tot overeenstemming te komen met de confessionele collega's in het kabinet. De spanning was het grootst binnen de PvdA. Het PvdA-partijkader volgde de verrichtingen van de ministers met grote achterdocht. Volgens het partijkader mochten de PvdA-ministers vooral geen concessies doen aan de KVP.
• De hervormingsvoorstellen van het kabinet ontmoetten in de samenleving veel verzet:
- Het bedrijfsleven voerde soms een directe obstructiepolitiek.
- Door de gevolgen van de oliecrisis van 1973 (drastische prijsverhoging van olie door de OPEC-landen) nam de financiële ruimte voor de hervormingsplannen af. De progressieve partijen wilden en konden niet voldoen aan de eisen van de vakbeweging (loonsverhoging ook toen het met de economie slechter ging). Zij misten daardoor de directe steun van de vakbeweging.


Hoofdstuk VII

1 Welke veranderingen kwamen er in de politieke verhoudingen na de val van het kabinet-Den Uyl?
• De PvdA verdween in de oppositie:
- In maart 1977 viel het kabinet-Den Uyl. Bij de verkiezingen van mei 1977 hadden de drie grote confessionele partijen (KVP, AR, CHU) zich verenigd in een federatie (samenwerking van partijen) onder de naam CDA (Christen-Democratisch Appèl). Het CDA kreeg 49 zetels, één zetel meer dan de drie partijen samen in 1972 hadden behaald. De PvdA won10 zetels: van 43 naar 53.
Door deze verkiezingsuitslag voelde de PvdA zich sterk en stelde te hoge eisen bij de kabinetsformatie. Het gevolg was dat er een kabinet tot stand kwam van CDA en VVD, met Van Agt (CDA) als premier en Hans Wiegel (VVD) als vice-premier.
Pas in 1989 zou de PvdA voor lange tijd in het kabinet terugkeren.
- Tot halverwege de jaren '80 voerde de PvdA oppositie tegen de politiek van CDA en VVD. Die politiek was gericht op bezuinigingen en een terugtredende overheid (minder overheidsbemoeiing). Het CDA en de VVD cultiveerden op hun beurt een negatieve beeldvorming rond de PvdA.
• Het christelijk midden keerde terug als politieke factor:
- Daarbij speelde ook mee dat de CDA-federatie van KVP, AR en CHU in 1980 was omgezet in één partij, het CDA.
- Tot en met 1989 bepaalde het CDA, eerst onder leiding van Dries van Agt en later van Ruud Lubbers, de uitkomst van kabinetsformaties.
- De aanhang van het CDA groeide tussen 1982 en 1989, die van de PvdA schommelde en die van de VVD nam af.

2 Hoe is de groei van het CDA te verklaren?
De groei van het CDA is als volgt te verklaren:
• Veel kiezers waren de polarisatiestrategie van de progressieve partijen beu.
• Het CDA hield een zekere afstand tot de Kerken. Daardoor gingen ook niet-kerkelijken op het CDA stemmen.
• Het CDA herwon verloren gegane aanhang onder het 'maatschappelijke middenveld' (de maatschappelijke organisaties, onder andere de christelijke vakbeweging, organisaties van boeren, ouderen en werkgevers).

3 Welke verschuivingen waren er in de politieke opvattingen?
• De 'maakbaarheid' van de samenleving raakte op de achtergrond.
Vooral de PvdA had het idee gehad dat de samenleving 'maakbaar' was door de overheid. Door wetgeving zou de overheid de samenleving fundamenteel kunnen veranderen.
Het idee van de 'maakbaarheid' van de samenleving raakte na 1977 op de achtergrond. Dat kwam mede doordat de PvdA tot 1989 nagenoeg buiten de regering bleef.
• Het CDA en de VVD kozen voor de 'vrije-marktwerking' en voor een 'terugtredende overheid'. Volgens hen had de overheid in de jaren '70 op economisch terrein teveel willen regelen, teveel lasten (belasting en sociale premies) opgelegd en in het algemeen teveel taken op zich genomen.
• Tegenover de steeds duurder wordende verzorgingsstaat stelde het CDA 'de verantwoordelijke samenleving', die de gevolgen van overheidsbezuinigingen op de verzorgingsstaat moest opvangen. Het CDA greep terug op het aloude confessionele idee van de beperkte rol van de staat en de eigen verantwoordelijkheid van het individu en van maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld vakbonden en werkgeversverbonden, organisaties voor maatschappelijk werk en gezondheidszorg). Sleutelbegrippen werden: gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap (goed beheer van de natuur).
• De VVD benadrukte vrijheid en zelfstandigheid voor de burgers.
De VVD zette de onder Hans Wiegel gekozen neo-liberale koers voort. Ze pleitte voor een afslanking van de 'doorgeschoten' verzorgingsstaat. Wiegel gebruikte de symbolen vrijheid en zelfstandigheid van de burgers ten opzichte van de overheid. Zijn opvolger Ed Nijpels presenteerde zijn partij als een 'antipolitieke partij'.
• De verschillen tussen de partijen werden kleiner:
* De PvdA-top nam in de loop van de jaren '80 geleidelijk afstand van het polarisatiemodel.
* Door het kleiner worden van de politieke tegenstellingen gingen de partijen in ideologisch opzicht steeds meer op elkaar lijken. In de politieke campagnes ging het daarom steeds minder om de ideologische verschillen. Partijen, vooral het CDA, werden een soort 'catch-all'-bewegingen: leden en sympathisanten werden in toenemende mate gezocht bij andere groepen dan de traditionele achterban.
• Er ontstond een nieuwe consensus.
Nadat Den Uyl in 1987 als politiek leider van de PvdA was afgetreden, vonden CDA, VVD en PvdA elkaar in een beleid van ingrijpende bezuinigingen. Vooral de kosten van de sociale zekerheid (onder andere WAO en werkloosheidsuitkeringen) moesten omlaag. Het CDA en de VVD lieten geleidelijk hun confronterende opstelling tegenover de PvdA varen.

4 Welke veranderingen kwamen er in de arbeidsverhoudingen?
• De vakbeweging raakte in problemen en werd pragmatischer:
- In de periode 1979 -1984 heerste er een tweede economische crisis. Een gevolg was dat de werkloosheid snel steeg. Dat bracht de vakbeweging in problemen:
* Stakingen - onder andere voor het behoud van de prijscompensatie - verloren onder deze omstandigheden hun effect en riepen steeds meer maatschappelijk verzet op.
* Door een aanhoudend ledenverlies werd de positie van de vakbeweging, de FNV en het protestants-christelijke CNV, steeds kwetsbaarder. De FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging) was in 1976 ontstaan door een fusie van het socialistische NVV en het katholieke NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond, sinds 1963 de nieuwe naam van de KAB).
- Pragmatische leiders binnen de vakbeweging kregen na 1981 de overhand.
• Het 'Akkoord van Wassenaar' maakte een einde aan arbeidsconflicten.
In 1982 sloten werkgevers- en werknemersorganisaties het 'Akkoord van Wassenaar'. Dat maakte een einde aan de vele arbeidsconflicten. Het Akkoord was tot stand gekomen door onderhandelingen in de Stichting van de Arbeid. De vakbeweging aanvaardde een loonmatiging in ruil voor arbeidsduurverkorting en herverdeling van werk op termijn.

5 a Waardoor kon het Akkoord van Wassenaar tot stand komen?
Bij het totstandkomen van het Akkoord van Wassenaar gaven de volgende omstandigheden de doorslag:
• De werkloosheid steeg zeer snel: van 5,1% van de beroepsbevolking in 1979 tot 13,5% in 1982.
• De overheidsuitgaven dreigden onbeheersbaar hoog te worden.
• In 1982 kwam een nieuw kabinet van CDA en VVD tot stand (het eerste kabinet-Lubbers). Dit kabinet had een ruime meerderheid in de Tweede Kamer. De vakbeweging verwachtte van dit kabinet weinig steun en was daarom tot concessies (loonmatiging) bereid.

b Waarom was het Akkoord van Wassenaar belangrijk?
Het Akkoord van Wassenaar wordt beschouwd als een van de pijlers van het Nederlandse poldermodel, de nieuwe consensuspolitiek die zich rond 1990 aftekende.
Het poldermodel hield consensus (overeenstemming) in zowel tussen werkgeversorganisaties en vakbeweging als tussen de grote politieke partijen. Die consensus werd bereikt door veelvuldig overleg.

6 Welke ontwikkelingen waren er in de politieke cultuur in de jaren '80 wat betreft:
a de polarisatie,
De kruisraketten vormden het laatste sterk gepolariseerde strijdpunt in de Nederlandse politiek.
In 1979 nam de NAVO het besluit eventueel kruisraketten in West-Europa, ook in Nederland, te plaatsen. Hierover ontbrandde een felle politieke strijd. Door deze kwestie kwamen in de jaren 1979-1985 'linkse' partijen en groeperingen scherp tegenover 'rechts' te staan: 'links' wilde geen kruisraketten, 'rechts' juist wel.

b de traditionele politiek,
• Consensus leidde tot het 'poldermodel':
- Politieke elites gingen de noodzaak van constructieve samenwerking benadrukken. Er ontstond een nieuwe consensuspolitiek, die het 'poldermodel' wordt genoemd.
- De nieuwe politieke stijl werd zakelijk en nuchter. Politieke conflicten werden vaak in het openbaar, via de televisie, van hun scherpe kanten ontdaan en 'gedepolitiseerd' (van een politieke kwestie werd een 'zakelijke' kwestie gemaakt). Meester hierin was minister-president Ruud Lubbers, met zijn 'no-nonsense'- aanpak. Telkens weer wist hij compromissen te bereiken.
- In het poldermodel hadden linkse actiegroepen weinig invloed.
De regering trok zich niet veel van hen aan, mede wegens de slechte toestand van de economie (de eisen van de actiegroepen kostten altijd geld).
• De politieke discussie ging over economie.
De jaren '80 toonden een soort revival van de naoorlogse jaren toen de landspolitiek werd gedomineerd door thema's uit de economie (omdat de wederopbouw van het land centraal stond). Opvallend was dat in de jaren '80 de financieel-economische berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) grote invloed hadden op de politieke discussie. De linkse idealen van de jaren '70 werden in deze tijd van recessie (economische teruggang) afgedaan als verkwistende dagdromerij.

c de burgers,
Burgers sloten zich aan bij nieuwe organisaties:
• De consensuspolitiek leidde er mede toe dat burgers zich minder betrokken voelden bij de traditionele politiek. In de traditionele politiek waren immers geen strijdpunten meer waarvoor zij warm konden lopen.
Traditionele organisaties (politieke partijen, vakbonden, Kerken) zagen hun aanhang in aantal verminderen.
• De belangstelling voor politiek nam echter niet af, maar uitte zich in andere vormen van politieke participatie:
- Burgers sloten zich, op basis van persoonlijke overtuiging of betrokkenheid, aan bij nieuwe organisaties. Dat waren organisaties die zich bezighielden met moderne vraagstukken als abortus en euthanasie, natuur en milieu, internationale solidariteit (Derde Wereld, mensenrechten, vluchtelingen).
Het succes van bewegingen als Amnesty International (mensenrechten) en Greenpeace (natuur en milieu) leidde ertoe dat maatschappelijke kwesties en milieukwesties een belangrijker rol in politiek Den Haag zijn gaan spelen.
- Deze burgers vormden de 'civil society'. Deze term lijkt op de term 'maatschappelijk middenveld', maar die stamt uit de tijd van de verzuiling. Nu was er sprake van een ontzuild 'sociaal middenveld' waarin de burgers zich uit vrije wil aansloten bij (nieuwe) politieke en sociale verbanden. Politici moesten nu leren inspelen op het gedrag van burgers die opkwamen voor hun rechten.

d jongeren en vrouwen,
Jongeren en vrouwen hadden geen behoefte meer aan eigen organisaties.
Jongeren en vrouwen vonden zich in de algemene doelen en werkwijzen van de genoemde organisaties. Ze voelden weinig behoefte zich op basis van leeftijd of sekse binnen deze organisaties te onderscheiden. De burger kon in het tijdperk van het individu eigen keuzes maken; solidariteit met groepsbelang leek achterhaald.

e de nieuwe organisaties?
De nieuwe organisaties wilden ook consensus:
• Veel nieuwe sociale bewegingen of organisaties waren voortgekomen uit buitenparlementaire actiegroepen. Maar in de jaren '80 gingen zij een beroep doen op politieke tradities uit de tijd van de verzuiling, toen verzuilde organisaties door de overheid werden gesteund. Ze ontvingen daarom subsidies van de overheid.
• De politieke strategie van deze bewegingen was - net als die van de politieke elite - gericht op consensus. Die moest worden bereikt in een netwerk van adviesorganen. Maatschappelijke problemen of milieukwesties werden aan de onderhandelingstafel van hun scherpe kanten ontdaan.
Waarschuw beheerder
donateur
Dat is dus zeg maar wat ik leer, dit is boek nr 1:D:D
het is wel veel, maar zo kom je er wel achter wat je wel en niet kent

Het is toch niet zo dat ik hiervoor gestraft kan worden dat ik dit in het openbaar doe of wel:S??!!
laatste aanpassing