´komen (onov.ww.)
1 een punt, plaats of positie bereiken, daartoe vorderen
2 verschijnen, naderen
3 raken aan, terechtkomen, zich vastzetten
4 (met 'van; door') (van zaken) voortgebracht worden, het resultaat zijn
5 (met 'aan') in het bezit van iets raken
6 min of meer toevallig of onbedoeld een bepaalde toestand, bepaalde omstandigheden bereiken
7 toegevoegd worden aan, bij
8 klaarkomen
9 (van baby's) wakker worden om gevoed te worden