Was net even wat oude word-documentjes aan t doorspitten... had een poos terug een stukje overgeschreven uit een boekje... wel aardig op zich
In zijn persoonlijk leven was Schopenhauer behoedzaam en beheerst. Hij had een scherp gevoel voor de gevaren van het menselijk leven. Hij sliep met geladen pistolen bij zijn bed en weigerde zijn kapper toestemming te geven om zijn nek te scheren. Hij schepte behagen in gezelschap, maar gaf vaak de voorkeur aan zijn eigen gezelschap. Hij trouwde nooit, maar schijnt seksueel zeer actief te zijn geweest.
Een van de weinige gedenkwaardige gebeurtenissen in Schopenhauers onbewogen leven vond plaatst ten gevolge van zijn hekel aan geluid. Hij was woedend geworden op een naaister die buiten zijn appartement stond te praten, en duwde haar de trap af. De vrouw raakte gewond en daagde hem voor het gerecht. Hij verloor de zaak en moest haar voor de rest van haar leven per kwartaal een geldbedrag geven. Toen zij stief, schreef hij in het Latijn op haard overlijdensakte: 'Obit anus, abit onus.' ('de oude vrouw sterft, de last gaat weg'). Schopenhauer geloofde niet in de realiteit van het zelf en wijde zijn leven aan zichzelf.
Schopenhauer geloofde dat de filosofie werd geregeerd door christelijke vooroordelen. Hij wijdde een groot deel van zijn leven aan het grondig analyseren van de invloed van deze vooroordelen op Immanuel Kant, een denker die hij meer bewonderde dan enig andere denker; maar wiens filosofie hij meedogenloos aanviel omdat het een ongodsdienstige versie van het christendom zou zijn. Kants filosofie was een van de belangrijkste stromingen in de Verlichting. Maar de essentie van Schopenhauers kritiek op Kant is dat de verlichting slechts een wereldlijke versie was van de belangrijkste vergissing van het christendom. Voor christenen zijn de mensen geschapen door God en bezitten zij een vrije wil, voor humanisten zijn het over zichzelf beschikkende wezens. In beide gevallen zijn zij heel anders dan alle dieren. Voor Schopenhauer zijn wij daarentegen in ons diepste wezen één met andere dieren. Wij denken dat wij van andere mensen, en nog meer van andere dieren, gescheiden zijn door het feit dat wij afzonderlijke individuen zijn. Maar die individualiteit is een illusie. Net als andere dieren zijn wij de belichaming van de universele Wil, de worstelende, lijdende energie die alles in de wereld bezielt. Schopenhauer was de eerste grote Europese denker die iets van Indiase filosofie wist, en hij blijft de enige die de voornaamste leerstelling ervan heeft opgenomen en aanvaard; dat het vrije, bewuste individu dat in het christendom en humanisme centraal staat een vergissing is die voor ons verbergt wat wij echt zijn. Maar dat was een gezichtspunt waar hij onafhankelijk van anderen, door zijn verwoestende kritiek op Kant, toe was gekomen.
Kant schreef dat David Hume hem uit zijn dogmatische sluimer wakker maakte. Hij was beslist geschokt door de diepe scepsis van de grote achttiende-eeuwse filosoof. De traditionele metafysica beweerde het bestaan van God, de vrijheid van de wil en de onsterfelijkheid van de ziel aan te tonen. Volgens Hume kunnen wij niet eens weten of de buitenwereld wel echt bestaat. Sterker nog, wij weten niet eens of wijzelf bestaan, aangezien het enige dat wij aantreffen wanneer wij naar binnen kijken, een verzameling gevoelens is. Hume concludeerde dat we, aangezien wij niets weten, de oude Griekse sceptici moeten volgen, en op natuur en gewoonten moeten vertrouwen om ons leven leiding te geven.
Kants dogmatische sluimer is dan misschien door Humes scepsis verstoord, maar niet lang daarna snurkte hij weer vrolijk verder. Kant aanvaardde Humes bewering dat wij de dingen an sich niet kunnen kennen, en dat wij alleen de verschijnselen die ons in de ervaring worden gegeven kunnen kennen. De werkelijkheid die achter de ervaring ligt – wat Kant de noumenale wereld van dingen an sich noemde – is onkenbaar. Maar hij weigerde Humes sceptische conclusie te aanvaarden. Volgens Kant zou ik niet de ervaring van de vrije keuze kunnen hebben als ik alleen maar het empirische organisme zou zijn dat ik lijk te zijn. Alleen omdat ik tot de noumenale wereld buiten ruimte en tijd behoord, kan ik mijn leven volgens morele principes leven. Zoals de meeste filosofen werkte Kant eraan om de conventionele overtuigingen van zijn tijd te ondersteunen. Schopenhauer deed het tegenovergestelde. Terwijl hij de beweringen van Hume en Kant aanvaarrde dat de wereld onkenbaar is, kwam hij tot de slotsom dat zowel de wereld als het individuele subject dat zich verbeeldt dat hij de wereld kent, maya is, een droomachtige constructie die geen basis in de werkelijkheid heeft. Moraal is geen reeks wetten of principes. Het is een gevoel – het gevoel van mededogen voor hen die lijden of voor anderen, een gevoel dat mogelijk wordt gemaakt door het feit dat afzonderlijke individuen uiteindelijk verzinsels zijn. Hier valt Schopenhauers denken samen met de Vedanta en met het boeddhisme, die ondanks hun verschillen het belangrijke inzicht delen dat individuele persoonlijkheid een illusie is.
Schopenhauer aanvaardde de sceptische kant van Kants filosofie en keerde die tegen hem. Kant liet zijn dat wij gevangen zitten in de wereld der verschijnselen en de dingen an sich niet kunnen kennen. Schopenhauer ging een stap verder, en merkte op dat wij zelf tot de wereld der verschijnselen behoren.
In tegenstelling tot Kant was Schopenhauer bereid zijn gedachten te volgen, waar die ook naartoe leidden. Kant beweerde dat wij, behalve wanneer wij aanvaarden dat wij autonome, vrij kiezende zelven zijn, niets zinnigs aan onze morele ervaring kunnen ontdekken.
Schopenhauer antwoordde daarop dat onze huidige ervaring niet een ervaring is waarbij wij vrijelijk de manier van kiezen waarop wij leven, maar dat wij worden voortgedreven door onze lichamelijke behoeften – door angst, honger, en bovenal seks. Seks, schreef Schopenhauer in een van de vele onnavolgbaar scherpe passages die zijn werk verlevendigen, 'is het uiteindelijke doel van bijna alle menselijke inspanningen... seks weet hoe hij zijn liefdesbriefjes en haar lokken in ministerportefeuilles en filosofische manuscripten moet laten glijden'. Wanneer wij in de greep zijn van seksuele liefde, zeggen wij tegen onszelf dat wij gelukkig zullen zijn als die eenmaal is bevredigd, maar dat is slechts een begoocheling. Seksuele passie stelt de soort in staat zichzelf voor te planten; zij bekommert zich helemaal niet om individueel welzijn of persoonlijke autonomie. Het is niet waar de onze ervaringen ons verplicht stellen onszelf te beschouwen als mensen die vrij handelen. Integendeel, als wij oprecht naar onszelf kijken, weten wij dat wij dat niet zijn.
Schopenhauer geloofde dat hij het definitieve antwoord had op de metafysische vragen waar denkers sinds het begin van de filosofie door werden geplaagd. Hij gebruikte zijn kritiek op Kant om het gebruikelijke gezichtspunt over tijd, ruimte en oorzaak en gevolg onderuit te halen, en bood een ander wereldbeeld – een beeld waarin er helemaal geen afzonderlijke dingen zijn, waarin pluraliteit en verschil niet bestaan, en waarin alleen maar het onophoudelijke streven is dat hij Wil noemt.
Dit is een verbazingwekkend beeld, maar wij hoeven het niet als de uiteindelijke waarheid over de aard der dingen op te vatten. In plaatst daarvan kunnen wij het opvatten als een metafoor voor een waarheid over onszelf. Wij denken graag dat wij in ons leven door de rede worden geleid, maar de rede zelf is slechts – zoals Schopenhauer stelt, waarbij hij Hume nazegt – de fel bestookte dienaar van de wil. Ons intellect is geen onpartijdige waarnemer van de wereld, maar neemt er actief deel aan. Het vormt er een beeld van dat ons helpt in onze worstelingen. Van de denkbeeldige constructies die door het in dienst van de wil werkende intellect worden geschapen is de meest misleidende constructie misschien wel de kijk die het ons op onszelf geeft- als voortgaande, verenigde individuen.
Kant probeerde onze meest gekoesterde ideeën – bovenal onze ideeën over persoonlijke identiteit, vrije wil en morele autonomie – te beschermen tegen het oplosmiddel van de sceptische twijfel.
Schopenhauer nam de proef op de som door die aan de feitelijke ervaring bloot te stellen, en liet zien dat zij wegsmolten. Door dat te doen maakte hij Kants filosofie met de grond gelijk, en met haar de gedachte van het menselijk subject dat zowel het christendom als het humanisme schraagt.