En als kind nog, zij zal negen jaar oud geweest zijn, begon reeds de beklemming van iets geweldigs en ontzettends, zwaar en droef, dat niet weg wou, en dat zij toch stellig zag. Het was in allerlei plaatsen, bij allerlei bezigheden en hechtte zich als een kwade geur aan allerlei dingen.’
‘Toch was zij in genen dele een droefgeestig kind, maar spraakzaam en meestal blijde, geneigd tot bezigheid, schrander en onuitputtelijk in ’t vinden van middelen tot spel en vermaak, zelden vermoeid, en niet meer dan anderen stuurs of balorig.’
‘..met de kleurige juistheid en het verrassend onmiddellijke, in schijnbare onbeholpenheid en verwarring, dat den kunstenaar eigen is, die het verstaat zijn gevoel zonder omweg te laten verzinnelijken.’
‘Zodat hij steeds met haar in ’t blinde tastte, niet wetend wanneer hij een vlaag van dodelijke koelheid en stugheid, of wel een plotseling herbloeien van de teerste en geurigste bloemen harer passie wachten kon. Den sleutel die op den schrijn van haar tresoren paste had hij niet, zijn luk-raak beproeven was te vergeefs en hij gewende zich met onverschilligheid de onberekenbare wisseling van haar teer en ijlwielend gemoed af te wachten, tóch nooit de uitwerking van harde of vriendelijke woorden stellig voorziend. Dit deed haar mening, dat hij wreed en ongevoelig was, toenemen, evenals de zijne dat vrouwen geen redelijkheid of standvastigheid kennen.’