Echt gebeurd!!
Een Marokkaanse culturele avond
Ik liep langs een beeld van Rodin in Rotterdam, er stond iemand tegenaan te pissen. Ik moest ook, dus ik ging naast de vent staan. Het was een neger. ‘Jouw pis stinkt,’ zei ik tegen de neger.
‘Jouw moeder stinkt ook,’ zei hij tegen mij.
Ik pakte mijn mes en stak de zeikerd in z’n zij; hij viel op de grond en begon te kreunen. Een enorm kabaal. Pas toen ik mijn laatste restje warme urine in zijn gezicht liet kletteren, hield hij z’n bek. Niet veel later gooide ik hem in de Westersingel. Negers kunnen goed marathonlopen, basketballen en boksen, maar voor de honderd meter vlinderslag hebben ze geen aanleg. ‘Blub blub,’ deed hij. Toen hij helemaal onder water was verdwenen, liep ik weg.
Het was een gewone zaterdagavond. Ik kocht op de Westkruiskade een loempia. ‘Geen varkensvlees, ik ben Moslim.’
‘Kip goed?’ vroeg een meisje met een schort om.
Ik knikte. Uit de gekoelde toonbank pakte ze een ongebakken loempia en gooide die in het vet. Aan haar hand droeg ze vier ringen, heel onhygiënisch. ‘Houd je die ringen om als je masturbeert?’
‘Wat?’
‘Sambal elbij,’ zei ik, ‘alsjeblieft.’
Bij het Nighttowncafé ontmoette ik mijn vrienden van de Marokkanenmaffia, Adil en Hafid. We gingen hasjiesj roken.
‘Alweer?’
‘Alweer.’
Op weg naar coffeeshop Het Centrum zag Adil zichzelf in een ruit van de Rotterdamse Kunststichting. Hij pakte een kei en wierp die richting zijn weerspiegeling, die verdween. ‘Waarom wordt er zo verdomd veel geld aan kunst uitgegeven? Ik wil ook subsidie! Ik ben allochtoon!’
‘En jong,’ fluisterde ik Adil toe.
‘En jong!’ riep Adil. Hij gooide nog een steen door een ruit. ‘Hier met het geld.’
‘Maar vandalisme is toch geen kunst?’ zei Hafid.
‘Jawel,’ zei ik. ‘Vernielen van kunst is ook kunst.’
‘Echt waar?’
‘Echt waar.’ Er vloog weer een steen door een ruit.
‘Dus als we het Boymans in de fik steken is dat ook kunst?’
‘Zo zou je het kunnen noemen,’ zei ik. ‘Maar we gaan eerst blowen.’
In Het Centrum rook het heerlijk. Achter de bar stond een vrouw met grote prammen. Ik keek er te lang naar, maar ze vond het niet erg, althans ze gaf me geen linkse hoek. Dat doen sommige van die wijven, die geven je gewoon een hoek als je naar hun tieten kijkt.
Adil is dat een keer overkomen, op een zaterdagavond in de Baya. Normaal komen we daar niet naar binnen, zelfs al laten we onze wapens thuis. Maar dit keer had Hafid zijn zus bij zich. Die is, in tegenstelling tot Hafid zelf, bloedmooi en bloedgeil. Toen moesten ze ons wel binnenlaten.
We kwamen terecht in een voor moslimbegrippen paradijs. We hielden onze adem in. Zoveel tieten hadden we nog nooit gezien. ‘Zijn die allemaal door Allah gemaakt?’ vroeg Hafid stilletjes aan mij.
‘Allah is machtig.’
We gingen cocktails drinken bij de bar. Plotseling stond Adil oog in oog met een stel borsten achter een doorkijkblouse. Wat zeg ik? Hij stak zijn neus er zowat tussen.
‘Kijk uit,’ zei ik nog, ‘straks prikt ze je ogen uit met haar tepels.’
Het werd dus een linkse hoek. Adil ging neer. ‘Van schrik,’ zei hij later. ‘Ze sloeg heus niet hard.’
‘Wat doe je nou, bitch?’ riep Hafid.
‘Ja,’ zei ik. ‘Wat doe je nou?’ Ik greep naar mijn zak, maar ik had m’n mes natuurlijk niet bij me. Anders hadden we haar kapot gestoken. En haar bloes erbij.
We liepen door de Lijnbaan. We waren stoned. We waren zo stoned als een aap.
‘Kijk een baby.’
‘Hij heeft dezelfde domme bavianenkop als z’n vader,’ zei ik
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Adil.
‘Kijk maar naar de vent achter de kinderwagen.’
‘Verdomd.’
‘Weet je dat ik een kuthekel heb aan negers?’ zei Adil. ‘Ze stelen als de raven, en wie krijgen daar de schuld van? Wij Marokkanen!’
‘Ben je gestopt met jatten, dan?’
‘Dat niet,’ zei Adil. ‘Maar daar gaat het niet om.’
‘Inderdaad,’ viel ik hem bij. ‘Het gaat om het principe. Hoe de mensen denken dat we zijn.’
‘Woont Marcel Möring niet daar?’
‘Wie?’
‘Dat is een schrijver,’ legde ik uit.
‘Ik ben Marokkaan, dus analfabeet.’
‘Laten we een bushokje slopen.’
In het bushokje stond een prachtig meisje te wachten, op een bus gok ik. Adil keek een fractie naar haar tieten. ‘Weet jij dat Rotterdam Hoofdstad Cultuur is van 2001?’ vroeg ik haar.
‘Al sinds januari,’ voegde Hafid toe.
‘Nee,’ zei het meisje.
‘Ah nee! Niet weer zo’n nihilistische doos die niet geïnteresseerd is in kunst! Zo’n snol die niet een schouwburg is in te slaan. Of het Boymans in te schoppen.’
‘Stereotiep jongere. Triest.’
‘Is het Boymans eigenlijk open?’ vroeg Hafid.
‘Dat weet jij zeker ook niet.’ Het meisje kreeg tranen op haar wangen. ‘Onnozele kut!’ Ze liep weg, jammer want haar bus kwam er net aan.
Achter het glas van het reclamebord bij de bushalte hing een poster van een vrouw in beugel-bh. f 39,95. Adil bekeek de tieten eens goed. ‘Die neem ik mee voor boven mijn bed,’ zei hij.
Met een losgewrikte baksteen beukten we net zo lang totdat de glasplaat in duizend-en-één stukjes lag.
Op weg naar het Boymans duwden we nog enkele Turken in de Westersingel.
‘Eh? Is dit wel het Boymans?’ vroeg Adil toen we voor een groot gebouw stonden.
‘Laten we het aan een voorbijganger vragen.’
‘Een jongere?’
‘Yep, een jongere. Dan kunnen we lachen.’
Na tien minuten van verveling liep er een eikel van een jaar of achttien voorbij. We trokken alle drie een mes. De jongen rende weg. Adil, vroeger kampioen op de 60 meter indoor, haalde hem in en sloeg hem op zijn bakkes. ‘Wij zijn op zoek naar het Boymans Van Beuningen,’ zei hij beleefd. De jongen zei niets terug. Adil duwde zijn mes tegen de strot van de jongen. ‘Als je het niet weet, zul je moeten sterven.’
‘Heb je je tong soms verloren?’ vroeg Hafid.
De jongen was zo bang dat er alleen wat gegorgel uit zijn keel kwam. In het licht van de maan staken Hafid en Adil hem dood. Hij wist ook niet te vertellen of Rotterdam nou dit jaar culturele hoofdstad is of volgend jaar.
‘Nu weten nog steeds niet of dit het Boymans is.’
‘Boeien.’
‘Niet zo onverschillig. Dadelijk staan we in de krant omdat we een Mc Donalds in de fik hebben gestoken.’
‘Is dit een Mc Donalds?’
‘Nee, een Burger King. Mozes! Wat doet het ertoe.’
We klommen over een muur en kwamen op een binnenplaats. Hafid keek door een raam. ‘Wat doen al die schilderijen hier?’
‘Het is een museum.’
‘Kijk tieten.’
‘Waar?’ vroeg Adil.
‘Op een schilderij.’
‘Geil.’ Hij beukte met de achterkant van zijn schoenen een ruit kapot, vroeg zich daarna af ‘zouden ze hier een beveiligingssysteem hebben?’
‘Boeien.’
Door de gebroken ruit stapten we naar binnen. We kwamen in een donkere zaal met schilderijen. Hafid pakte er een van de muur waarna hij zijn hoofd door het doek ramde. ‘Dit is cool.’ Hij pakte een ander schilderij en herhaalde zijn act: ‘Cool’. Na nog zeventien schilderijen werd hij duizelig.
Adil had het schilderij met de tieten losgesneden uit de lijst. Hij rolde het op, samen met de poster van de bushalte.
In een volgende zaal vonden we een stapel folders. Rotterdam 2001, las ik. Culturele hoofdstad van Europa.
‘Die kunnen we gebruiken om dit pand eens goed uit te fikken.’
‘Dat zal ze leren ook! Agadir had culturele hoofdstad moeten worden.’
‘Agadir? Maar dat ligt niet in Europa. Marokko hoort bij Afrika.’
‘Fuck fuck fuck.’
‘Relax Adil, relax man. Kijk daar, nog een schilderij met tieten.’ Hafid wees naar een postmodern kunstwerk. ‘Woh! Dat wijf heeft vier tieten.’
‘Volgens mij zie ik dubbel.’
Ik ging zitten. ‘Nee,’ zei ik, ‘dat is kunst. Maar dat snappen wij niet, daar hebben wij de juiste culturele achtergrond niet voor.’
Hafid, de meest geïntegreerde Marokkaan van ons drieën, legde de flyers op een bepaalde manier op de grond. ‘Heb ik op de padvinderij geleerd.’
‘De wat?’ vroeg Adil.
‘Bij de welpen.’
‘Huh?’
‘Akela? Balou? En hoe heet die olifant.’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Hati, ja Hati.’
‘Hati?’
‘Steek nou maar in de fik,’ zei ik lichtjes geagiteerd.
‘Hebben we haast?’
‘Kijk, de Nederlandse politie is sloom, maar ze zijn niet dood. Dat onderscheid moet je goed beseffen, dan word je vanzelf een topcrimineel.’
‘Hee, ik ben hoogopgeleid, ik studeer,’ riep Hafid. ‘Ik word geen crimineel.’
‘Dat ben je al,’ zei Adil.
‘Dat hoef ik niet te pikken.’
‘Dames, dames, we staan hier niet op de markt.’ Ik liep op de twee heethoofden af. ‘Zal ik de boel dan maar in de hens steken?’
‘Ja, cool.’
‘Uhuh, cool.’
De flyers fikten te kort om een beetje mooie brand te veroorzaken. We begonnen massaal schilderijen van de muren af te halen en die op het vuur te gooien. Sommige waren mooi, maar een hoop zou ik nog niet eens op de plee willen hangen bij mij thuis. Slecht voor de stoelgang. Zeker die landschapschilderijen. Daar zou je nog eens een vieze diarree aan over kunnen houden. Hop, het vuur in.
‘Ik krijg het warm. Enorm warm.’
‘Van het vuur of van al die schilderijen eraf halen?’
‘Eh, ik weet niet, van allebei denk ik.’
‘Ja wat is het nou?’
‘Waar maak je je druk over?’ vroeg ik.
‘Misschien heb je slechte longen, dan kun je in de WAO. Net als Ahmed.’
‘Ahmed? Maar die werkt.’
‘Ja zwart, eikel.’
‘Jouw IQ is niet hoog, hè Adil,’ zei ik.
‘Wat zullen we nou krijgen?’
‘Zes maal vier. Hoeveel is dat?’
‘Ik Marokkaan. Ik niet kunnen rekenen.’ Adil lachte om zijn eigen grap.
‘Eh, hoor ik daar sirenes?’
‘Er zal wel weer iets gebeurd zijn. Een aanrijding, een steekpartij, een verkrachting. Dit is Marokko niet. Dit is Rotterdam.’
‘Yep. Dit is Rotterdam.’
We renden weg van het Boymans, vanbuiten was er niets te zien. Buiten leek het alsof er niets was gebeurd. Alsof wij niets hadden gedaan. We keken naar het statige gebouw. We keken naar de omgeving. Niets herkenden we. We hadden geen spoor achtergelaten. Eng. Drie Marokkanen in een land vol gebouwen die niet branden, die niet kapot kunnen gaan, drie Marokkanen in een land vol vreemde vrouwen met borsten, drie Marokkanen die in een waas mensen doodmaken. Maar niemand ziet het. Is dat dan integratie, dat niemand ons meer opmerkt?
Niemand merkt ons meer op omdat we in een hokje gestopt zijn. Omdat we links rechts boven onder worden ingesloten. Door iedereen. Alles om ons heen is een aanslag op ons. Wij horen hier niet thuis.
‘Jouw moeder stinkt ook,’ zei de neger.
En het deed pijn.
Yusef El Halal
Bron: http://www.stg-renaissance.nl/tijdschrift/18.html#elhalal
Een Marokkaanse culturele avond
Ik liep langs een beeld van Rodin in Rotterdam, er stond iemand tegenaan te pissen. Ik moest ook, dus ik ging naast de vent staan. Het was een neger. ‘Jouw pis stinkt,’ zei ik tegen de neger.
‘Jouw moeder stinkt ook,’ zei hij tegen mij.
Ik pakte mijn mes en stak de zeikerd in z’n zij; hij viel op de grond en begon te kreunen. Een enorm kabaal. Pas toen ik mijn laatste restje warme urine in zijn gezicht liet kletteren, hield hij z’n bek. Niet veel later gooide ik hem in de Westersingel. Negers kunnen goed marathonlopen, basketballen en boksen, maar voor de honderd meter vlinderslag hebben ze geen aanleg. ‘Blub blub,’ deed hij. Toen hij helemaal onder water was verdwenen, liep ik weg.
Het was een gewone zaterdagavond. Ik kocht op de Westkruiskade een loempia. ‘Geen varkensvlees, ik ben Moslim.’
‘Kip goed?’ vroeg een meisje met een schort om.
Ik knikte. Uit de gekoelde toonbank pakte ze een ongebakken loempia en gooide die in het vet. Aan haar hand droeg ze vier ringen, heel onhygiënisch. ‘Houd je die ringen om als je masturbeert?’
‘Wat?’
‘Sambal elbij,’ zei ik, ‘alsjeblieft.’
Bij het Nighttowncafé ontmoette ik mijn vrienden van de Marokkanenmaffia, Adil en Hafid. We gingen hasjiesj roken.
‘Alweer?’
‘Alweer.’
Op weg naar coffeeshop Het Centrum zag Adil zichzelf in een ruit van de Rotterdamse Kunststichting. Hij pakte een kei en wierp die richting zijn weerspiegeling, die verdween. ‘Waarom wordt er zo verdomd veel geld aan kunst uitgegeven? Ik wil ook subsidie! Ik ben allochtoon!’
‘En jong,’ fluisterde ik Adil toe.
‘En jong!’ riep Adil. Hij gooide nog een steen door een ruit. ‘Hier met het geld.’
‘Maar vandalisme is toch geen kunst?’ zei Hafid.
‘Jawel,’ zei ik. ‘Vernielen van kunst is ook kunst.’
‘Echt waar?’
‘Echt waar.’ Er vloog weer een steen door een ruit.
‘Dus als we het Boymans in de fik steken is dat ook kunst?’
‘Zo zou je het kunnen noemen,’ zei ik. ‘Maar we gaan eerst blowen.’
In Het Centrum rook het heerlijk. Achter de bar stond een vrouw met grote prammen. Ik keek er te lang naar, maar ze vond het niet erg, althans ze gaf me geen linkse hoek. Dat doen sommige van die wijven, die geven je gewoon een hoek als je naar hun tieten kijkt.
Adil is dat een keer overkomen, op een zaterdagavond in de Baya. Normaal komen we daar niet naar binnen, zelfs al laten we onze wapens thuis. Maar dit keer had Hafid zijn zus bij zich. Die is, in tegenstelling tot Hafid zelf, bloedmooi en bloedgeil. Toen moesten ze ons wel binnenlaten.
We kwamen terecht in een voor moslimbegrippen paradijs. We hielden onze adem in. Zoveel tieten hadden we nog nooit gezien. ‘Zijn die allemaal door Allah gemaakt?’ vroeg Hafid stilletjes aan mij.
‘Allah is machtig.’
We gingen cocktails drinken bij de bar. Plotseling stond Adil oog in oog met een stel borsten achter een doorkijkblouse. Wat zeg ik? Hij stak zijn neus er zowat tussen.
‘Kijk uit,’ zei ik nog, ‘straks prikt ze je ogen uit met haar tepels.’
Het werd dus een linkse hoek. Adil ging neer. ‘Van schrik,’ zei hij later. ‘Ze sloeg heus niet hard.’
‘Wat doe je nou, bitch?’ riep Hafid.
‘Ja,’ zei ik. ‘Wat doe je nou?’ Ik greep naar mijn zak, maar ik had m’n mes natuurlijk niet bij me. Anders hadden we haar kapot gestoken. En haar bloes erbij.
We liepen door de Lijnbaan. We waren stoned. We waren zo stoned als een aap.
‘Kijk een baby.’
‘Hij heeft dezelfde domme bavianenkop als z’n vader,’ zei ik
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Adil.
‘Kijk maar naar de vent achter de kinderwagen.’
‘Verdomd.’
‘Weet je dat ik een kuthekel heb aan negers?’ zei Adil. ‘Ze stelen als de raven, en wie krijgen daar de schuld van? Wij Marokkanen!’
‘Ben je gestopt met jatten, dan?’
‘Dat niet,’ zei Adil. ‘Maar daar gaat het niet om.’
‘Inderdaad,’ viel ik hem bij. ‘Het gaat om het principe. Hoe de mensen denken dat we zijn.’
‘Woont Marcel Möring niet daar?’
‘Wie?’
‘Dat is een schrijver,’ legde ik uit.
‘Ik ben Marokkaan, dus analfabeet.’
‘Laten we een bushokje slopen.’
In het bushokje stond een prachtig meisje te wachten, op een bus gok ik. Adil keek een fractie naar haar tieten. ‘Weet jij dat Rotterdam Hoofdstad Cultuur is van 2001?’ vroeg ik haar.
‘Al sinds januari,’ voegde Hafid toe.
‘Nee,’ zei het meisje.
‘Ah nee! Niet weer zo’n nihilistische doos die niet geïnteresseerd is in kunst! Zo’n snol die niet een schouwburg is in te slaan. Of het Boymans in te schoppen.’
‘Stereotiep jongere. Triest.’
‘Is het Boymans eigenlijk open?’ vroeg Hafid.
‘Dat weet jij zeker ook niet.’ Het meisje kreeg tranen op haar wangen. ‘Onnozele kut!’ Ze liep weg, jammer want haar bus kwam er net aan.
Achter het glas van het reclamebord bij de bushalte hing een poster van een vrouw in beugel-bh. f 39,95. Adil bekeek de tieten eens goed. ‘Die neem ik mee voor boven mijn bed,’ zei hij.
Met een losgewrikte baksteen beukten we net zo lang totdat de glasplaat in duizend-en-één stukjes lag.
Op weg naar het Boymans duwden we nog enkele Turken in de Westersingel.
‘Eh? Is dit wel het Boymans?’ vroeg Adil toen we voor een groot gebouw stonden.
‘Laten we het aan een voorbijganger vragen.’
‘Een jongere?’
‘Yep, een jongere. Dan kunnen we lachen.’
Na tien minuten van verveling liep er een eikel van een jaar of achttien voorbij. We trokken alle drie een mes. De jongen rende weg. Adil, vroeger kampioen op de 60 meter indoor, haalde hem in en sloeg hem op zijn bakkes. ‘Wij zijn op zoek naar het Boymans Van Beuningen,’ zei hij beleefd. De jongen zei niets terug. Adil duwde zijn mes tegen de strot van de jongen. ‘Als je het niet weet, zul je moeten sterven.’
‘Heb je je tong soms verloren?’ vroeg Hafid.
De jongen was zo bang dat er alleen wat gegorgel uit zijn keel kwam. In het licht van de maan staken Hafid en Adil hem dood. Hij wist ook niet te vertellen of Rotterdam nou dit jaar culturele hoofdstad is of volgend jaar.
‘Nu weten nog steeds niet of dit het Boymans is.’
‘Boeien.’
‘Niet zo onverschillig. Dadelijk staan we in de krant omdat we een Mc Donalds in de fik hebben gestoken.’
‘Is dit een Mc Donalds?’
‘Nee, een Burger King. Mozes! Wat doet het ertoe.’
We klommen over een muur en kwamen op een binnenplaats. Hafid keek door een raam. ‘Wat doen al die schilderijen hier?’
‘Het is een museum.’
‘Kijk tieten.’
‘Waar?’ vroeg Adil.
‘Op een schilderij.’
‘Geil.’ Hij beukte met de achterkant van zijn schoenen een ruit kapot, vroeg zich daarna af ‘zouden ze hier een beveiligingssysteem hebben?’
‘Boeien.’
Door de gebroken ruit stapten we naar binnen. We kwamen in een donkere zaal met schilderijen. Hafid pakte er een van de muur waarna hij zijn hoofd door het doek ramde. ‘Dit is cool.’ Hij pakte een ander schilderij en herhaalde zijn act: ‘Cool’. Na nog zeventien schilderijen werd hij duizelig.
Adil had het schilderij met de tieten losgesneden uit de lijst. Hij rolde het op, samen met de poster van de bushalte.
In een volgende zaal vonden we een stapel folders. Rotterdam 2001, las ik. Culturele hoofdstad van Europa.
‘Die kunnen we gebruiken om dit pand eens goed uit te fikken.’
‘Dat zal ze leren ook! Agadir had culturele hoofdstad moeten worden.’
‘Agadir? Maar dat ligt niet in Europa. Marokko hoort bij Afrika.’
‘Fuck fuck fuck.’
‘Relax Adil, relax man. Kijk daar, nog een schilderij met tieten.’ Hafid wees naar een postmodern kunstwerk. ‘Woh! Dat wijf heeft vier tieten.’
‘Volgens mij zie ik dubbel.’
Ik ging zitten. ‘Nee,’ zei ik, ‘dat is kunst. Maar dat snappen wij niet, daar hebben wij de juiste culturele achtergrond niet voor.’
Hafid, de meest geïntegreerde Marokkaan van ons drieën, legde de flyers op een bepaalde manier op de grond. ‘Heb ik op de padvinderij geleerd.’
‘De wat?’ vroeg Adil.
‘Bij de welpen.’
‘Huh?’
‘Akela? Balou? En hoe heet die olifant.’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Hati, ja Hati.’
‘Hati?’
‘Steek nou maar in de fik,’ zei ik lichtjes geagiteerd.
‘Hebben we haast?’
‘Kijk, de Nederlandse politie is sloom, maar ze zijn niet dood. Dat onderscheid moet je goed beseffen, dan word je vanzelf een topcrimineel.’
‘Hee, ik ben hoogopgeleid, ik studeer,’ riep Hafid. ‘Ik word geen crimineel.’
‘Dat ben je al,’ zei Adil.
‘Dat hoef ik niet te pikken.’
‘Dames, dames, we staan hier niet op de markt.’ Ik liep op de twee heethoofden af. ‘Zal ik de boel dan maar in de hens steken?’
‘Ja, cool.’
‘Uhuh, cool.’
De flyers fikten te kort om een beetje mooie brand te veroorzaken. We begonnen massaal schilderijen van de muren af te halen en die op het vuur te gooien. Sommige waren mooi, maar een hoop zou ik nog niet eens op de plee willen hangen bij mij thuis. Slecht voor de stoelgang. Zeker die landschapschilderijen. Daar zou je nog eens een vieze diarree aan over kunnen houden. Hop, het vuur in.
‘Ik krijg het warm. Enorm warm.’
‘Van het vuur of van al die schilderijen eraf halen?’
‘Eh, ik weet niet, van allebei denk ik.’
‘Ja wat is het nou?’
‘Waar maak je je druk over?’ vroeg ik.
‘Misschien heb je slechte longen, dan kun je in de WAO. Net als Ahmed.’
‘Ahmed? Maar die werkt.’
‘Ja zwart, eikel.’
‘Jouw IQ is niet hoog, hè Adil,’ zei ik.
‘Wat zullen we nou krijgen?’
‘Zes maal vier. Hoeveel is dat?’
‘Ik Marokkaan. Ik niet kunnen rekenen.’ Adil lachte om zijn eigen grap.
‘Eh, hoor ik daar sirenes?’
‘Er zal wel weer iets gebeurd zijn. Een aanrijding, een steekpartij, een verkrachting. Dit is Marokko niet. Dit is Rotterdam.’
‘Yep. Dit is Rotterdam.’
We renden weg van het Boymans, vanbuiten was er niets te zien. Buiten leek het alsof er niets was gebeurd. Alsof wij niets hadden gedaan. We keken naar het statige gebouw. We keken naar de omgeving. Niets herkenden we. We hadden geen spoor achtergelaten. Eng. Drie Marokkanen in een land vol gebouwen die niet branden, die niet kapot kunnen gaan, drie Marokkanen in een land vol vreemde vrouwen met borsten, drie Marokkanen die in een waas mensen doodmaken. Maar niemand ziet het. Is dat dan integratie, dat niemand ons meer opmerkt?
Niemand merkt ons meer op omdat we in een hokje gestopt zijn. Omdat we links rechts boven onder worden ingesloten. Door iedereen. Alles om ons heen is een aanslag op ons. Wij horen hier niet thuis.
‘Jouw moeder stinkt ook,’ zei de neger.
En het deed pijn.
Yusef El Halal
Bron: http://www.stg-renaissance.nl/tijdschrift/18.html#elhalal





















