
Er was eens een man uit Afghanistan die in Groningen werd verdacht van brandstichting in zijn eigen woning.
Op het tapijt in de woonkamer waren benzineresten aangetroffen en dat moest alles verklaren.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van vijftien maanden.
De man uit Afghanistan ontkende en had een verklaring voor het morsige tapijt. De benzinemeter van zijn brommertje was stuk en om niet verrast te worden door een lege tank, haalde hij regelmatig reservebenzine op.
In plastic zakjes.
In zijn woonkamer goot hij het goedje dan weer over in lege colaflessen.
Zodoende.
Niemand in zittingszaal 14 die het geloofde, zo'n raar verhaal.
De officier van justitie vroeg waar dat tankstation dan wel mocht wezen en verzocht om een korte schorsing. Na een kwartiertje keerde de aanklager beteuterd terug.
Het BIM-tankstation had inderdaad een klant die regelmatig tankte in plastic zakjes.
De man uit Afghanistan werd vrijgesproken.
Dat was drie jaar geleden.
Donderdag.
Abdel is een welbespraakte jongeman uit Somalië.
Hij is van goeden huize, zijn vader eigenaar van tankstations.
Abdel, zei de officier van justitie, is de enige uit de familie die niet deugen wil.
Ditmaal wordt hij verdacht van een straatroof in de rosse Muurstraat in Groningen. Abdel zou het slachtoffer zijn gevolgd en op het moment de man een woning – die van zijn broer – wil betreden, stapt hij mee naar binnen en grist diens mobiele telefoon, een wit-oranje Sony Ericsson, uit de jaszak.
Abdel zet het vervolgens op een lopen en het slachtoffer de achtervolging in.
De politie wordt gewaarschuwd.
Via mobilofoons wordt het signalement van de voortvluchtige straatrover door de stad verspreid.
Agenten in dienst weten direct: dat moet Abdel die niet deugen wil zijn.
Ze kennen hem.
Hij wordt aangehouden, maar geen oranje-witte Ericsson.
Het slachtoffer zit inmiddels achter in een politieauto en wordt met de verdachte Abdel geconfronteerd.
De man twijfelt, weet niet zeker of het 'm is.
En dus mag Abdel zijn weg vervolgen.
Om ter zitting niet opgehelderde redenen wordt Abdel twintig minuten later op zijn vervolgde weg opnieuw aangehouden.
En kijk nou: de geroofde oranje-witte Ericsson.
Abdel ontkent.
Hij ontkent zich aan de beroving schuldig te hebben gemaakt. De telefoon had hij van een Antilliaan met lang haar en een helm op.
Niet gekocht, maar ter compensatie gekregen.
Eerder die nacht had hij vijf gram drugs bij de man met helm gekocht, maar de cocaïne bleek nep.
Rechters: Wel toevallig allemaal.
Abdel: 'Ik heb er niets mee te maken.'
De officier van justitie: 'Abdel jokt. Twaalf maanden.'
Ali komt uit Koeweit en is vaak in de olie.
Die dag had hij twaalf halve liters op.
Over hem wordt gezegd dat hij een eenzame man is die zijn draai in de Nederlandse samenleving, waaraan hij sinds 1993 meedoet, niet kan vinden.
Daarom loopt hij vaak heen en weer door de Folkingestraat in de Groninger binnenstad.
In december vorig jaar zou hij daar hebben geprobeerd twee mannen te beroven. Van hun geld en met zijn mes dat hij al vijftien jaar met zich meezeult.
Hij vertrouwt niemand.
Niet alleen de twee mannen reppen van de berovingspoging (ze zeiden: 'doe effe normaal' en deden aangifte), ook getuigen zeggen het.
Hij kwam met dat mes dreigend op ons/hen af en eiste geld.
Ali zegt dat hij toch niet gek is om twee mensen in een drukke winkelstraat te beroven. Dat anderen zoiets geks beweren, zegt hij, komt omdat mensen kunnen liegen.
Nee, hij had een akkefietje met de mevrouw van het café omdat hij haar reclamebord had vernield en daarvoor 200 euro moest betalen.
Omdat hij geen geld had, had hij gezegd, dan beroof ik wel iemand.
En juist toen kwamen die twee mannen er aan.
Het was meer een grap.
En dat mes dan?
Dat had hij bij zijn sok ingestoken en het mes prikte in zijn voet.
Omdat het geprik pijn deed, had hij het mes juist toen die twee mannen er aan kwamen, even gepakt.
Dus niet om te dreigen of te steken, want hij is toch niet gek?
Dat was nog niet alles.
In oktober vorig jaar bungelde Ali uit een openstaand raam van een woning in de rosse Hoekstraat.
De bewoner was er wakker van geworden, zei 'hé, wat moet dat' en duwde de ongenode gast terug.
Ali, zegt de officier van justitie, probeerde in te breken om 'enig goed van zijn gading' te jatten.
Welnee, zegt Ali.
Hij was zijn fietssleutel kwijt.
Een vriend van de straat had die sleutel naar hem toegegooid en toen was de sleutel zoek.
Ali dacht, misschien wel door dat openstaande raam gevlogen.
Kan gebeuren.
Hij dacht, ik ga niemand wakker maken, maar even binnenkijken en dan weer weg.
De officier van justitie: 'Ali is een leugenaar. Achttien maanden, zes voorwaardelijk.'
Rare verhalen in zittingszaal 14 kunnen wel ware verhalen zijn.
Zo logisch steekt de wereld buiten de rechtszalen nou ook weer niet in elkaar.