raad mijn geheugen
eer ik vergeet
streel mijn gedachten
in jou
wees mijn boek
aan wie ik
woorden geef
letterlijk luistert
het niet nauw
wij zijn toch
uitgelezen
volk
Ik denk niet
dat ik blijf
voor het ontbijt
Geen afscheid
met honing in
mijn thee
Noch jouw
zoet belegen
woorden
Deze ochtend
raakt de boter
geen beschuit
Ik smeer um
plooien blijven zichtbaar
zo ge laat
uw masker zien
ik weet beter
bovendien
de rimpels
lachen wij
saampjes weg
wie dan valt
de kuil teniet
groef ik
ons nog hier
een sterk
ijzer
zo de plank
dan mis mij niet
ten goede van
het zwarte geld
mijn wit gebit
te poetsen gas
tot een ware held
om te kiezen
tis mun tanders niet
de rekening
onbetaald
dat gaten vallen dan
kom eet de ster
uit je voorruit
en zulks
file
bladeren vlagen wind
een ritsel van een luister
daar uit de bomen
in het ochtendlicht
mijn oren horen het gefluister
van even geen geluid
sluit simpelweg mijn ogen
duister wordt het niet
kleurtjes groen verschijnen
netvlies in mijn zicht
mondt uit in stipt oranje
een opgaande zon
mijn ogen dicht
de wolken
geen diepte om mij heen
naar het schijnt
ligt in verschiet
een minder groot verdriet
nu ik in het
daglicht tast
met mijn vingertoppen
en geen water voel
nu nog ééntje
die kan drijven
naar de grote prijs
op jacht
win een ton
dat maakt het makkelijk
en vergeet
niet de lading post
die mij lekker
probeert te maken
doch doen vervelen
mee te nemen
voor het oud papier
anders stapelt
het hier zo op
dat wil ik niet
als lot
zonder ben ik ook
welvarend
Weer die donderwolken
en vrouwentongen
voor het raam.
Halfgesloten
de gordijnen.
Ik zie daar iemand
staan in het verscholen.
Mijn gedachten die gaan
dolen.
Door de buurt
mijn wandel,
zachte regenval.
Het gaat mij
geen bliksem aan.
Maar zou ze ook
vingerplanten hebben?