Het gaat zo: de mannen doen zoals ze altijd doen. Gewoon. Ze zeggen wat dingen, ze zitten, of ze staan, het zijn net mensen.
Maar dan!
Dan ziet één van de mannen een voetbal. Een glimmende, witte, lederen voetbal die goed is opgeblazen.
De man loopt naar de voetbal toe met een gretigheid die hij nog van vroeger kent. Hij pakt de voetbal op en gaat de bal proberen hoog te houden. Volgens mij is dat altijd het eerste wat een man doet. Hij zal niet, zoals een vrouw, denken dat de bal in eerste instantie bedoeld is om heel hard tegen aan te schoppen.
De andere mannen zien de man de bal hooghouden en zijn er van overtuigd dat zij dat beter kunnen. Langzaam veranderen alle mannen in gretige, kleine jongetjes met een grenzenloze ambitie en dromen over voetballen in het eerste. Binnen de kortste keren staan de mannen in een kringetje. Ze zwepen elkaar op met allerhande truukjes waar ze hard op hebben gestudeerd. Als ze daar geen zin meer in hebben, gaan ze doeltjes maken. Ze rennen het gras op en spelen twee tegen twee. In de hitte van de strijd gaan de shirts uit. Ineens staan er bezwete mannen in hun hemdsmouwen. Ze zijn fanatiek, ze duwen en trekken en bij echt doorzettingsvermogen worden er modderige slidings gemaakt.
Ze gaan tot het uiterste en zijn duidelijk aan het genieten. Het zijn allemaal teamplayers. Iedereen krijgt zijn one minute of fame.
Het is mooi om te zien.
Van mij mag er elke dag voetbal zijn.