Ze droomt van een eigen croissanterie.
Van zo'n zaakje als naast de Zeeman in de Langestraat in Winschoten.
'Vind ik helemaal geweldig, die zaak is mijn voorbeeld.'
Als ze dat zegt, klinkt ze vrolijk en enthousiast.
Maar dit is geen vrolijk verhaal.
Chantal is 23 jaar. Toen ze 6 jaar oud was deed hij het voor de eerste keer. Toen het voorbij was kroop ze bij haar moeder in bed en kwam hij er bij liggen.
Ze bloedde.
De volgende dag werd er met geen woord over gesproken.
Zo begon het en zo zou het dertien jaar lang doorgaan.
Dertien jaar lang is Chantal seksueel misbruikt door haar stiefvader. En later, vanaf haar vijftiende, ook door haar moeder.
Met beide handen houdt ze haar kop thee vast.
Chantal is een jonge vrouw van deze tijd. Ze praat als iemand die weet wat ze wil. Ik ben best wel een bekkertje, zegt ze een paar keer.
Maar die zelfverzekerdheid, dat is de buitenkant.
In haar hoofd stormt het, het is daar binnen één grote chaos.
Ze leeft, dat wel.
Maar dat leven lukt alleen als alles volgens een vast ritme verloopt. Anders komt ze de dag niet door.
'Ik ben een moeder van drie kinderen en ik run een huishouding. Ik ben vreselijk blij met mijn kinderen en met Albert, mijn vriend. Voor mijn kinderen doe ik alles, ik zal hen nooit verwaarlozen. Maar ik ben 23 jaar. Ik had op deze leeftijd heel andere dingen moeten doen.'
Ze weet dat wat ze zo graag wil er voorlopig niet in zit. 'Overdag, als de kinderen er zijn, dan gaat het wel, dan is er afleiding. Maar als ik alleen ben, de kinderen naar bed, dan begint het weer. Dan zit ik als en dood vogeltje op de bank.'
Ze raakt zwanger als ze 16 jaar is. Haar ouders vertellen aan de familie, in het café en in het dorp dat Chantal zwanger is van een Spaanse vakantieliefde. De familie, de cafébezoekers en de mensen in het dorp geloven dat. Twee jaar later geloven ze hetzelfde verhaal nog een keer. Weer zwanger, weer een Spanjool. Zie je wel, zeggen ze in het dorp, die Chantal, die deugt niet. Ze zit niet voor niets al sinds haar veertiende niet meer op school, toch? Nou dan.
Maar Chantal deugde wel. Ze durfde alleen de waarheid, die smerige rotwaarheid, niet te vertellen. Dat hij haar misbruikte? En dat hij dat niet alleen deed, maar dat ze ook werd misbruikt door haar bloedeigen moeder? En dat hij de vader is van haar eerste twee kinderen?
Wie zou dat nou geloven?
Ze weet zeker dat veel mensen uit haar omgeving er weet van hebben gehad, of op z'n minst vermoedens. Kan niet anders. Maar er werd gezwegen. Ook door haar huisarts aan wie ze alles een keer had verteld. De dokter hoorde het aan en riep de volgende patiënt binnen.
In februari is haar stiefvader door de rechtbank van Groningen veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf. Haar moeder kreeg tien maanden celstraf.
Chantal: 'Alsof mijn moeder minder slecht is geweest. Dat is niet zo.'
Ze was aanwezig bij de rechtszaak. Het was de eerste keer na drie jaar dat ze haar ouders weer zag. 'Diep in mijn hart mis ik mijn moeder, wat ze me ook heeft aangedaan. Ik miste haar toen ik moest bevallen van mijn eerste kind. Die bevalling, in het ziekenhuis, duurde twee dagen. Ik was 16 jaar en alleen en zo vreselijk bang en ongelukkig.'
'Toen ik mijn moeder daar in de rechtszaal zag staan, had ik weer even dat gevoel, het gevoel van het kleine meisje dat verlangt om door haar moeder in de armen te worden genomen. Mijn hart smeekte, kies toch voor mij, voor je eigen dochter. Kies niet voor hem. Er was even een moment dat we oogcontact hadden. Ze keek zo harteloos, zou koud. Ik dacht toen, ze mag de naam moeder niet hebben.'
In het vonnis schrijft de rechtbank dat 'er een onwenselijk lange tijd heeft gelegen tussen de aangifte in mei 2004, de daarop volgende aanhouding (van haar ouders) in september van dat jaar en de berechting in februari 2007'. De rechtbank zegt daarmee in keurige bewoordingen dat het schandalig is hoe politie en justitie in deze zaak hebben gehandeld.
Het was Albert, haar huidige vriend, die tegen haar zei dat ze aangifte moest doen. Je belt of ik ga bij je weg, had hij gezegd. 'Ik was toen 19. Ik heb de politie in Winschoten gebeld. De volgende dag zat ik op het politiebureau en heb het hele verhaal verteld. Alles. Toen ik later mijn verhaal op papier terug las, was ik zo van slag, zo beroerd. Het was alsof het toen pas allemaal tot mij doordrong.'
'Voor een buitenstaander klinkt dat misschien raar, maar ik wist van kleins af aan niet dat het fout was wat er gebeurde. Ik besefte niet dat het abnormaal was. Ik wist niet beter. Je wilt ook niet geloven dat jou zoiets is overkomen.'
Een half jaar na de aangifte werden haar ouders aangehouden. Ze zaten drie dagen vast en werden daarna vrijgelaten. Op advies van een hulpverleenster nam Chantal een advocaat in de arm. 'Ik had zoveel vragen. Maar die advocaat liet nooit iets van zich horen, belde nooit terug.
Ook van de politie hoorde ik na die aangifte niets meer. De drie jaar tussen de aangifte en de rechtszaak is een hel geweest. Zo absurd. Soms kreeg ik een datum waarop de rechtszaak zou dienen. De zenuwen gierden dan een week lang door mijn keel. Nog erger was dat de zitting keer op keer werd uitgesteld. Een keer heb ik een gesprek gehad met een officier van justitie. Dat was zo'n akelig mens, een gemene schooljuf met een knoetje. Ze was zo zakelijk en afstandelijk. Ik heb toen heel erg moeten huilen.'
Chantal heeft het boek gelezen van Natascha Kampusch, het meisje uit Oostenrijk dat acht jaar lang in een kelder gevangen werd gehouden en vorig jaar augustus wist te ontsnappen aan haar kidnapper. 'Haar verhaal is voor mij heel erg herkenbaar. Ik zat niet opgesloten, maar ik mocht niks. Ik mocht geen vriendinnetjes hebben, laat staan vriendjes. Ik mocht nooit ergens naar toe. Toen ik 14 jaar was zei mijn vader dat ik van school moest, dat ik moest gaan werken. Dan was ik tenminste nuttig.'
Ze herkent vooral het feit dat Kampusch haar situatie accepteerde. 'Dat deed ik ook. Ik wist niet beter. Ik had niets, niemand, ik kon nergens heen. Dan blijf je waar je bent, je neemt het zoals het is.'
'Toen ik de eerste keer zwanger was, kwam ik voor het eerst bij een huisarts. Mijn vader deed het woord, hij deed altijd het woord. Wij woonden nooit ergens langer dan een jaar. We stonden nergens ingeschreven. Ik heb nooit ergens een klas volledig uitgezeten. Van school herinner ik mij vooral dat ik veel werd gepest.'
'Op mijn vijftiende ben ik weggelopen van huis. Ik was in die tijd best wel opstandig. Na drie dagen vonden ze me. Een agent vroeg aan mij, wat wil je, met je ouders mee of met ons naar het politiebureau? Ik wilde niet terug, maar omdat die agent dat vroeg waar mijn ouders bijstonden, durfde ik dat niet te zeggen. Van dat moment heb ik nog altijd heel veel spijt.'
'Tijdens de rechtszaak zei de advocaat van mijn ouders dat ik een meisje ben met een grote fantasie. Ik dacht, kerel waar bemoei jij je mee, je bent een buitenstaander. Jij weet niet waar je het over hebt, je hebt geen flauw benul.'
Met de veroordeling van haar ouders, had ze gehoopt haar verleden te kunnen afsluiten. 'De uitspraak voelde als een erkenning van mijn verhaal. Van familieleden heb ik alleen maar vervelende reacties gekregen, van mijn stiefzusje een haatmail. De familie is altijd achter mijn ouders blijven staan. Ik weet niet waarom. Mijn stiefvader is een man van mooie praatjes die iedereen om de vingers kan winden. Soms voel ik de behoefte brieven te schrijven, om iedereen duidelijk te maken dat ik gelijk heb, om hen duidelijk te maken wat er echt is gebeurd.'
'Ik word er nog steeds op aangekeken, hoewel steeds meer mensen het echte verhaal kennen. Maar nooit is iemand op mij afgestapt, nooit een hart onder de riem. Mensen blijven zwijgen, hebben niet het lef.'
Met Albert, die haar altijd trouw is gebleven en heeft gesteund, probeert ze haar leven invulling te geven. 'Ook voor hem is het niet makkelijk. Ik ben de laatste vier jaar geestelijk veel afwezig geweest. De kinderen krijgen daar iets van mee. Ik probeer ze zoveel mogelijk te beschermen tegen het verdriet in huis.'
Haar ouders zijn tegen de uitspraak in hoger beroep gegaan. 'Toen ik dat hoorde, kon ik wel door de grond zakken. Ik was zo ontzettend boos. Nu komt alles nog een keer en ik kan er niks tegen doen. Weer die onzekerheid. Ik ben moegestreden, voel me machteloos.'
Ze heeft geen slok van haar thee genomen.
Een paar keer vecht ze, als ze haar verhaal vertelt, tegen de tranen.
Ze zegt dan: 'Ik heb de keel even vol.'
Met een droeve glimlach: 'Eigenlijk ben ik best wel een positief ingesteld mens. Ik wil niet de rest van mijn leven slachtoffer blijven.
Weet je, ik wil zo graag genieten van het leven.'