de fac·to (bw.)
1 feitelijk => eigenlijk
de·fai·tis·me (het ~)
1 moedeloosheid na het verlies van hoop op een goede uitkomst => pessimisme
de·fai·tist (de ~ (m.), ~en)
1 iem. die geneigd is tot defaitisme
de·fault (de ~ (m.), ~s)
1 standaardwaarde
de·fault·waar·de (de ~ (v.))
1 [comp.] standaardwaarde
de·fect1 (het ~, ~en)
1 gebrek, mankement waardoor iets niet werkt
de·fect2 (bn.)
1 slecht functionerend => stuk
de·fec·tief1 (het ~, -tieven)
1 defectief werkwoord
de·fec·tief2 (bn.)
1 gebrekkig, onvolledig
de·fen·sie (de ~ (v.), ~s)
1 landsverdediging
2 [jur.] verdediging of verweer
3 [sport] achterhoede
de·fen·sie·com·mis·sie (de ~ (v.))
1 commissie voor defensiezaken bestaande uit leden van het parlement
de·fen·sief1 (het ~)
de·fen·sief2 (bn.)
1 verdedigend <=> agressief
de·fi·bril·la·tor (de ~ (m.), ~en/~s)
1 [med.] toestel om met stroomstoten het normale hartritme te herstellen
de·fi·bril·le·ren (ov.ww., ook abs.)
1 [med.] (iem.) met een defibrillator behandelen
de·fi·ci·ënt (bn.)
1 tekortschietend => onvoldoende
de·fi·ci·ën·tie (de ~ (v.), ~s)
1 tekortkoming
2 [taalk.] gebrek aan redundantie
de·fi·ci·ën·tie·ziek·te (de ~ (v.))
1 ziekte die ontstaat door een gebrek aan voedingsstoffen, zoals vitaminen
de·fi·cit (het ~, ~s)
1 tekort
de·fi·ci·tair (bn.)
1 een tekort vertonend