Whahaaaaaaaa check deze liedjes maar eens. Wie kent ze niet, de bekende meezingers
Om eerlijk te zijn ken ik ze eigenlijk allemaal nog wel van vroeger
Olifantje in de zee
Olifantje in de zee / Ga je nog eens met mij mee / Spetter spatter spetter spat / En dan wordt je lekker nat / Olifantje in de zee / Ga je nog eens met mij mee.
Alle eendjes
Alle eendjes zwemmen in het water, falderalderiere, falderalderare / Alle eendjes zwemmen in het water / Fal, fal, falderalderalderalderarara.
Altijd is Kortjakje ziek
Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week, maar 's zondags niet / Zondags gaat ze naar de kerk, met haar boek vol zilverwerk / Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week, maar 's zondags niet
Berend Botje
Berend Botje ging uit varen, met zijn scheepje naar Zuid Laren / De weg was recht, de weg was krom / Nooit kwam Berend Botje weer om.
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven? / Hij is niet hier, hij is niet daar, hij is naar Amerika / Amerika, Amerika, drie maal in de rondten van je hopsasa / Amerika, Amerika, drie maal in de rondten van je hopsasa.
Deze vuist op deze vuist
Deze vuist op deze vuist / deze vuist op deze vuist / deze vuist op deze vuist - En zo klim ik naar boven.
Dit zijn mijn wangetjes
Dit zijn mijn wangetjes / En dit is mijn kin / Dit is mijn mondje met tandjes erin / Dit zijn mijn oortjes, mijn ogen, m'n haar / Nu nog mijn neusje en dan ben ik klaar.
Drie kleine kleutertjes
Drie kleine kleutertjes, die zaten op een hek, boven op een hek / Drie kleine kleutertjes, die zaten op een hek / op een mooie dag in september / Waarover spraken zij die drie daar op dat hek / Boven op dat hek / Waarover spraken zij die drie daar op dat hek / Op die mooie dag in september / 't Was over krekeltjes en korenbloemen blauw, korenbloemen blauw / 't Was over krekeltjes en korenbloemen blauw / Op een mooie dag in september.
Onder hele hoge bomen
Onder hele hoge bomen, in een groot kabouterbos / Staat een heel klein aardig huisje, zo maar midden op het mos / Ik zou er graag in willen wonen, maar ik ben toch veel te groot / Het is gemaakt voor de kabouters, met hun muts en jasje rood.
Als het avond is geworden / is dat helemaal niet raar / Want dan zitten de kabouters, heel gezellig bij elkaar / Want ze zitten op een stoeltje, met een kaarsje in de hand / En dan zie je duizend lichtjes, in kaboutersprookjesland
In een groen, groen, , groen, knolle-knolle-land
Al in een groen, groen, groen, groen, knolle-knolle-land / daar zaten twee haasje heel parmant / en de één die blies de fluite-fluite-fluit en de ander sloeg de trommel / Er kwam opeens een jager-jager aan en die heeft er één geschoten / en dat heeft naar men denken-denken kan / de ander erg verdroten.
Helikopter
Helikopter, helikopter, mag ik met je mee omhoog? / Hoog in de wolken wil ik wezen, hoog in de wolken wil ik zijn. / Helikopter, helikopter, vliegen is zo fijn.
Hansje, Pansje kevertje
Hansje, Pansje kevertje, die klom eens op een hek / neer viel de regen, die spoelde hansje weg / Op kwam de zon, die maakte hansje droog / Hansje, Pansje kevertje, die klom toen weer omhoog.
Hompeltje en Pompeltje
Hompeltje en Pompeltje die klommen op een berg / Hompeltje was een kaboutertje en Pompeltje een dwerg / Ze klommen hoog tot in het topje en schudden schudden met hun kopje / Toen zijn ze de berg in gekropen en niemand heeft ze ooit zien lopen.
Ze slapen zachtjes op een oor.......(snurk) sssttt, ik geloof dat ik ze hoor / hompeltje ... pompeltje ... daar zijn ze weer!
'k Zag twee beren broodjes smeren
'k Zag twee beren broodjes smeren, O, dat was een wonder / 't Was een wonder, boven wonder, dat die beren smeren konden / Hi hi hi, ha ha ha! 'k Stond erbij en ik keek er naar.
In de maneschijn
In de maneschijn, in de maneschijn / klom ik op het trapje naar het raamkozijn / En je waagt het niet / En je waagt het niet / zo doet een vogel, en zo doet een vis / Zo doet een duizendpoot, die schoenpoetser is / En dat is één / en dat is twee / en dat is dikke, dikke, dikke tante Kee / en dat is recht, en dat is krom,en nu draaien we het wieltje nog eens om /Rom bom!
In ied're kleine appel
In ied're kleine appel daar lijkt 't wel een huis / Want daarin zijn vijf kamertjes, precies als bij ons thuis / In ieder hokje wonen, twee pitjes zwart en klein / Die liggen daar te dromen van licht en zonneschijn.
Jan Huigen in de ton
Jan Huigen in de ton met een hoepeltje er om / Jan Huigen... Jan Huigen.... En de ton die viel in duigen!
Klap eens in je handjes
Klap eens in je handjes, blij-blij-blij / Op je boze bolletje, allebei / Handjes in de hoogte, handjes in je zij / Zo varen de scheepjes voorbij / Zo varen de scheepjes voorbij!
Jongens, meisjes aan de kant
[met zware stem] Jongens, meisjes aan de kant, daar komt een grote olifant / Grote poten en grote oren en een lange slurf van voren / Jongens, meisjes aan de kant, daar komt een grote olifant.
[met lichte stem] Jongens, meisjes aan de kant, daar komt een kleine olifant / Kleine stappen en kleine oren en een heel klein slurfje van voren / Jongens, meisjes aan de kant, daar komt een kleine olifant
Op een grote paddestoel
Op een grote paddestoel, Rood met witte stippen / Zat kabouter Spillebeen, Heen en weer te wippen / Krak zei toen de paddestoel, Met een diepe zucht / Allebei de beentjes - hoepla in de lucht!
Maar kabouter Spillebeen, ging toch door het wippen / Op de grote paddestoel rood met witte stippen / Daar kwam vader Langbaard aan en die zei toen luid: / 'Moet dat stoeltje ook kapot? Spillebeen, schei uit!'
Papegaaitje leef je nog
Papegaaitje leef je nog? Ieja deeja / Ja meneer ik ben er nog! Ieja deeja / 'k Heb m'n eten opgegeten En m'n drinken laten staan / Ieja deeja POEF!
Poesje Mauw
Poesje Mauw, lom eens gauw / Ik heb lekkere melk voor jou! / En voor mij, rijstebrij / O, wat heerlijk smullen wij!
Poes is ziek, reumatiek / dat zegt dokter Jantje / Zet 'm gauw, uit de kou, in zijn warme mandje
Hondje waf / Waf waf waf / blijf jij van mijn lekkers af / aardig dier, kom eens hier / samen maken wij veel plezier.
Schaapje, schaapje,
Schaapje, schaapje, heb je witte wol? / Ja baas, ja baas, drie zakken vol. Eén voor de meester, één voor zijn vrouw / Eén voor [naam kind invullen] dat bibbert van de kou / Schaapje, schaapje, heb je witte wol? Ja baas, ja baas, drie zakken vol.
Smakelijk eten
Smakelijk eten, smakelijk drinken / Hap-hap-hap, slok, slok, slok / Dat zal lekker smaken, dat zal lekker smaken / Eet maar op, drink maar op
Eet smakelijk allemaal!
Twee handjes (alles aanwijzen wat gezongen word)
Twee handjes op de tafel / Twee handjes in de zij / Twee handjes op je schouders / Op je hoofdje allebei
Nou maken we twee vuisten / Zo sterk als je maar kan / Daar mag je dan mee trommelen, van je rommeldebommeldebom.
De duimpjes zijn de dikste / De pinkjes zijn maar klein / Nou moeten alle handjes 1,2,3, op je ruggetje zijn
Kindje waar zijn je handjes gebleven ? Heb je ze aan je ruggetje gegeven? Van je 1, 2 , 3. (Bij 3 de handjes terug toveren.)
Visje, visje,
Visje, visje, zwemt in het water / Visje, visje zwemt in de kom / Visje, visje, die kan niet praten / Visje, visje, draai je eens om
We maken een kringetje
We maken een kringetje, van jongens en van meisjes / We maken een kringetje van tra la la / Maak nu een buiging, maak nu een buiging / Bij de hand, bij de hand, pak je vriendje bij de hand / Bij de hand, bij de hand, pak je vriendje bij de hand.
Zagen zagen, wiede wiede wagen
.Zagen zagen, wiede wiede wagen / Jan kwam thuis om een boterham te vragen / Vader was niet thuis, moeder was niet thuis/ 'Piep' zei de muis in het voorhuis
Zo gaat de molen
Zo gaat de molen, de molen, de molen / Zo gaat de molen, de mol-o-len (met je handen langzaam een molen nadoen)
Zo gaan de wieken, de wieken, de wieken / Zo gaan de wieken, de wi-ie-ken (met je handen sneller een molen nadoen)