lalalalalalaa
la·de (de ~, ~n/~s)
1 la
2 uitgehold houten deel van een geweer, waarin de loop rust => geweerlade
la·de·kast (de ~)
1 kast met alleen laden erin
la·de·lich·ter (de ~ (m.))
1 iem. die zich op ongeoorloofde wijze verrijkt, oplichter
la·den (ov.ww.)
1 van een lading, last voorzien
2 (een last) in of op iets of iem. leggen => bevrachten, inladen, opladen; <=> lossen
3 (wat nodig is om te functioneren) inbrengen
4 voorzien van het nodige om te kunnen functioneren
5 software en data in het geheugen van een computer inlezen