zucht1 (de ~ (m.), ~en)
1 sterke, met enig geruis gepaard gaande uitademing
2 tocht, luchtstroom
zucht2 (de ~)
1 begeerte
2 overdreven, ziekelijke begeerte
3 eerste afscheiding van melk in de borsten van een zwangere vrouw
zuch·ten (onov.ww.)
1 met kracht hoorbaar uitademen
2 zuchten slaken als uiting van verdriet, pijn, vermoeidheid enz.
zuch·ten naar (ww.)
1 smachten naar