hel·der (bn.)
1 (van geluid) duidelijk en zuiver => zilveren
2 (van licht of kleur) met sterke glans => klaar
3 niet met wolken bedekt => onbewolkt; <=> bewolkt
4 volkomen doorzichtig
5 getuigend van inzicht => scherpzinnig
6 duidelijk => begrijpelijk
7 schoon, proper [iron.]
schoon1 (het ~)
1 wat mooi aan iets of iem. is => schoonheid
schoon2 (bn.)
1 vrij van vuil of ongerechtigheden => fris, helder, proper, rein, zindelijk; <=> vuil
2 [form.] mooi
3 deugdzaam
4 netto, vrij van onkosten <=> vuil
schoon3 (vw.)
1 [archa.] hoewel, ofschoon
Bron:
www.vandale.nl