Partyflock
 
Verliefdheid is rampzalig

vrijdag 11 april 2008 om 16:35

Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Ik was jong en onbezonnen (dat ben ik nu nog, maar dat terzijde) en mén oh mén wat was ik verliefd. Paul heette hij en hij was achttien. Een paar weken later zou ik genadeloos van de roze wolk afdonderen, maar tijdens die vakantie in Zuid-Frankrijk had ik het gevoel dat ik zweefde.

Terwijl ik met m’n hoofd in de wolken liep, werd ik door alle jongens op de camping nagekeken. Ze lachten naar me, ze floten me na en een enkeling waagde zelfs een voorzichtige versierpoging. Ze maakten natuurlijk geen schijn van kans, want ik had mijn hart én maagdelijkheid aan Paul verloren. Ik begreep maar niet waar al die mannelijke aandacht ineens vandaan kwam. De moeder van mijn vriendinnetje vertelde me dat het kwam doordat ik verliefd was. Ze legde me uit dat mensen het aan alles kunnen merken dat je verliefd bent. De twinkeling in je ogen, de warme gloed die je uitstraalt. “Ze ruiken het zelfs aan je,” beweerde ze. En juist dat maakt je dan zo aantrekkelijk. Ik vond het maar een vreemd verhaal.

We zijn inmiddels een aantal jaren, hopeloze verliefdheden en gebroken hartjes verder. Ik was haast vergeten hoe het voelt om verliefd te zijn. Ze zijn er weer: De vlinders, terug van lang weggeweest. Het zonnetje lijkt zelfs op de meest regenachtige dagen vanachter de (roze) wolken naar me te knipogen. Alles ziet er mooier uit. Stoplichten springen spontaan op groen als ik kom aanzweven. Ik ben de hele dag aan het dagdromen en het aftellen tot ik hem weer zie. Ik ben veranderd in zo’n dom verliefd kalf waar ik me normaal gesproken zo aan kan ergeren.

So far de omschrijving van mijn belachelijke kip-zonder-kop-gedrag van afgelopen weken. Behalve die vlinders en roze wolken, is er nog iets wat me opvalt. Weken, wat zeg ik, MAANDEN keek er geen hond op of om als ik voorbij kwam lopen. Oké, een enkele bouwvakker floot me (godzijdank) plichtsgetrouw na, maar verder liet het gehele mannenvolk mij links liggen. Het leek wel alsof ze tijdens een geheime vergadering voor piemelbezitters besloten hadden om over te gaan tot een algehele Shanaya-Boycot.

Maar nu ik geheel onverwachts verliefd ben geworden en als een giechelende retard over straat loop, hebben ze die boycot spontaan opgeheven. Jong en oud… Ze doen ineens weer hun best. Ze geven complimentjes, ze vragen me mee uit, ze toeteren, ze staren, ze spreken me aan in de bus en ze knipogen. Ik waan me weer even in Zuid-Frankrijk. Maar net als toen maken die andere mannen geen schijn van kans… En ik denk terug aan de woorden van de moeder van mijn vriendinnetje. Ze had gelijk. Verliefdheid doet iets met je. Je straalt iets ongrijpbaars uit, waar iedereen wel een stukje van wil.

Verliefdheid… het blijft iets raars. Dus ik besluit ook de term verliefdheid maar eens te Google’en. De resultaten van mijn zoekactie zijn niet echt opbeurend. Termen als ‘irrationeel’, ‘zeer tijdelijk’ (alsof je dát wilt horen als je net lekker op die roze wolk zit?!) en ‘primitief’ passeren de revue. Men heeft het over hormonen en allerlei neurotransmitters met ingewikkelde namen. Niet erg romantisch. Ik kom nog een site tegen waar men verliefdheid een ziekte noemt, en daarna één die het met een psychische stoornis vergelijkt. Ik besluit mijn zoekactie te laten voor wat het is, ik zweef liever gewoon onbezorgd verder. Het is niet zo dat ik die sites ongelijk kan geven, want ik ben al een paar weken volledig ontoerekeningsvatbaar. Ik ben verward, slaap slecht, eet niet en er komt nog maar zelden een zinnig woord uit. Het is (zoals ze vroeger bij Kinderen voor Kinderen al zongen) rampzalig. Maar toch hoop ik stiekem dat deze ziekte ongeneselijk is…