dinsdag 27 december 2005 om 22:31
Zij zullen hem niet temmen,de fiere Vlaamse Leeuw,
Al dreigen zij zijn vrijheid met kluisters en geschreeuw.
Zij zullen hem niet temmen, zolang één vlaming leeft, zolang de leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.
De tijd verslindt de steden, geen troon blijft staan!
De legerbenden sneven: een volk zal nooit vergaan.
De vijand trekt te velde, omringd van doodsgevaar!
Wij lachen met zijn woede: de Vlaamse Leeuw is daar.
Hij strijdt nu duizend jaren, voor vrijheid, land en god;
En nog zijn zijne krachten in al haar jeugdgenot.
Als zij hem machtloos denken en tergen hem met een schop,
dan richt hij zich bedreigend en vrees'lijk voor hen op.
Wee hem, de onbezonnen', die valsen vol verraad,
de Vlaamse Leeuw komt strelen en trouweloos hem slaat.
Geen enkele handbeweging die hij uit 't oog verliest:
En voelt hij zich getroffen, hij stelt zijn maan en briest.
Het wraaksein is gegeven, hij is hun tergen moet;
Met vuur in 't oog, met woede springt hij de vijand toe.
Hij scheurt, vernielt, verplettert, bedekt met bloed en slijk en zegepralend grijst hij op 's vijand trillend lijk.