haha najaaaaa zeg

lekker bijnaampje hoor daantje!
ik heb trouwens in mn Nederlandse boek een keer een gedichtje gelezen over daantje en speciaal voor jou heb ik hem even opgezocht:
Daantje en het kraantje
Twee keer per dag zei moeder : Daan,
kom nooit aan deze grote kraan.
Maar Daan was een ondeugend joch
en deed het toch.
Hij draaide aan de kraan van 't bad,
dat ging zo leuk van spet en spat,
en Daantjes blauwe bloes werd nat
maar Daantje dacht : Wat hindert dat.
Hij draaide 't kraantje verder open,
het kraantje ging nog harder lopen,
het water steeg en even later
toen was 't bad al vol met water,
het water liep eroverheen,
en Daantje stond daar, heel alleen
en wist nieet hoe het verder moest.
Het water bruiste wild en woest,
het water stroomde op de grond,
wat Daantje niet zo leuk meer vond.
Het water kwam zo hoog, zo hoog,
er bleef geen enkel plekje droog,
het stroomde over trap en gang
en Daantje werd zo vreselijk bang.
Hij schreeuwde luid van ach en wee,
nu werd het werkelijk een zee,
met golven en met veel gedruis,
en Daantje was alleen in huis.
En niemand, niemand kon hem horen,
het water stond al tot zijn oren,
waar moest die arme Daantje blijven ?
De hele boel ging aan het drijven,
de tafels en de hele boel
ging dobberen. Kijk daar dreef een stoel
en door de gang dreef een buffet
en daar een klok en daar een bed,
en eindelijk ging kleine Daan
maar boven op die hangklok staan.
Die dreef het raam uit en toen schuin
over de golven in de tuin,
daar was het water al gekomen
tot aan het topje van de bomen.
Daar dreef het grote kippenhok.
De kippen riepen angstig : Tok !
Een pauw die op de schutting zat,
was ook niet happig op een bad
en kwam bij Daantje op de klok.
De kippen vlogen uit het hok
en kwamen ook bij Daantje schuilen.
De hond van buurman was aan 't huilen
en ging ook op de hangklok staan
en eindelijk kwam ook de haan
en nog een heleboel konijntjes,
twee grote en nog dertien kleintjes,
en ook ten slotte nog een kater
die heel erg bang was van het water.
De klok dreef op de oceaan
met al die beesten en met Daan.
Ze kwamen eind'lijk in een baai
daar zwom een boze reuzenhaai.
Hij keek heel woest, hij keek heel vuil
en opende wijd zijn haaiemuil,
en slokte toen de hele klok
naar binnen in een wipje, slok !
En Daantje met zijn witte kraag
zat in die vieze haaiemaag
waar het naar zure haring rook,
dat vonden alle beesten ook.
Maar ja, wat was er aan te doen,
je kon niet weg met goed fatsoen.
Gelukkig voor die arme Daan
is alles nog heel goed gegaan.
De haai, dat is echt haaierig,
werd van die beesten draaierig,
en na een uurtje spoog hij al
zijn passagiers weer op de wal.
En dát was nu zo grappig, zeg,
ze stonden midden op de weg,
de weg naar huis. Daar stond de kerk
en moeder was gewoon aan 't werk.
Ze had het kraantje dichtgedaan
en riep al urenlang om Daan.
De kippen gingen in hun hok
en vader draaide aan de klok,
en moeder zei weer : Lieve Daan,
draai nooit meer aan die grote kraan.