
"Het plezierige aan herinneringen is dat je kan kiezen."
"Het gezegde dat liefde blind maakt, doet onrecht aan de ervaring dat zij veel onvermoede schoonheid leert zien."
"Het moment van overgave is niet het einde van je leven, maar het begin."
"Massa is het meervoud van niemand."
"Doordachte woorden wekken vertrouwen. Doordachte gedachten zijn diep. Doordachte geschenken veroorzaken liefde."
"Geliefden komen elkaar niet zomaar ergens tegen. Ze waren altijd al in de ander verscholen."
"De keuzes die je maakt zijn een afspiegeling van hoe en wie je bent."
"Sluit vriendschap met het goede in de mens, niet met zijn goederen."
"De beloning voor iet dat goed gedaan is, is het gedaan te hebben."
"Denken dat iets onmogelijk is, is het onmogelijk maken."
"Principes zijn er om je in je leven te begeleiden, niet om je in je leven te beperken."
"Het vastklampen aan een illusie doet uiteindelijk meer zeer dan de werkelijkheid onder ogen zien."
"De geboorte is het begin van de dood."
"Het geloof is een stok om op te leunen, niet om anderen mee te slaan."
"Wijsheid begint met verwondering."
"De wereld is als een spiegel: kijk er boos in en zij kijkt boos naar je terug;
glimlach en zij glimlacht ook."
En dan nu....
Hume's belangrijkste 'empiristische' analyse betreft de drogredenering waarin wij, gegeven bepaalde verschijnselen, concluderen tot een oorzakelijke relatie. Neem bijvoorbeeld twee biljartballen. We zeggen dat de bewegende bal door contact te maken met de andere bal het bewegen van de tweede biljartbal veroorzaakt. Het bewegen van die tweede biljartbal is het gevolg van de botsing. De bewegende eerste biljartbal 'is de oorzaak van' het bewegen van de tweede biljartbal. Hume vraagt: wat kunnen we in dit geval zien als de voorwaarde voor dat wat we aanduiden met de term 'oorzaak''? Het antwoord luidt:
1. contiguity, d.w.z. we constateren naburigheid en aaneensluiting van de beweging en botsing van de eerste bal en het bewegen van de tweede bal,
2. priority, d.w.z. we constateren dat het bewegen van de eerste bal en de botsing vooraf gaan aan het bewegen van de tweede bal,
3. constant conjunction, d.w.z. we constateren dat telkens wanneer een eerste biljartbal in deze omstandigheden botst met een tweede biljartbal, die tweede biljartbal beweegt.
Dit is wat we vinden in het waarnemen van biljartbalbotsingen. Cruciaal is nu dat we in de zintuigelijke ervaring niet de noodzakelijkheid vinden die we doorgaans associeren met oorzakelijkheid. We zien (in letterlijke zin) niet dat de tweede bal noodzakelijk zal bewegen na de botsing met de eerste bal. Sterker nog, met een beetje voorstellingsvermogen kun je je voorstellen dat de tweede bal niet zal bewegen. Er is niets in de waarneming dat ons belet ons dit voor te stellen.
III. De Lerende Mens
Geloven, niet in God of logica, maar in gewoonte
Desalniettemin geloven we dat de tweede biljartbal zal gaan rollen na de botsing met de eerste bal. Hume stelt dat dit geloof het resultaat is van de 'operation of the mind'. Wij zitten kennelijk zo in elkaar dat wij de beweging van de tweede bal anticiperen doordat wij redeneren van oorzaak naar effect. Anticipatie is niets anders dan concluderen in het licht van verleden ervaring: de ervaring leert ons te denken zoals we denken. Het redeneren van oorzaak naar gevolg is de belangrijkste vorm van redeneren en ligt volgens Hume ten grondslag aan al onze kennis (met uitzondering van de geometrie en de rekenkunde). Wij concluderen kennelijk tot werkzame oorzaken niet omdat we die oorzaken als zodanig aantreffen in de zintuiglijke ervaring, maar omdat wij hebben geleerd op deze manier te anticiperen op wat er om ons heen gebeurt. Daarbij gaan wij ervan uit dat de natuur zich in de toekomst zal gedragen zoals in het verleden - iets wat niet vanzelfsprekend is. Begrijpen we dat deze 'operation of the mind', die ons van de zintuigelijke waarneming naar het poneren van oorzaken voert, het resultaat is van een aangekweekte gewoonte ('habit'), van een eenvoudig leerproces, dan werpt dit een geheel nieuw licht op de traditionele filosofische problemen.
Het idee dat wij uit gewoonte veronderstellen dat de toekomst zal zijn zoals het verleden, noemt Hume zijn 'very curious discovery'. En het is, zeker voor de 'verlichte' Hume, merkwaardig te moeten constateren dat daar waar de rede tekortschiet - en dat is in bijna ieder geval - onze gewoonte de 'guide of life' is. De rede is als het ware ondergeschikt aan onze gewoonte te denken dat de toekomst is als het verleden. En dat is maar goed ook: zonder deze gewoonte zouden we letterlijk niets kunnen doen. Ze is als het ware de grote werkhypothese van ons doen en van ons denken.
IV. Scepticisme
Wat revolutionair is in het denken van Hume is het idee dat onze opvattingen en overtuigingen (onze 'beliefs') het resultaat zijn van gewoontevorming. We moeten eigenlijk sceptisch staan tegenover alles wat we geloven dat niet rechtstreeks terug te voeren is tot zintuiglijke indrukken. Waar het gebruik van de rede ons niet kan dwingen om op basis van waarnemingen van gevolgen tot oorzaken te concluderen, daar zorgt de gewoontevorming voor zulke gevolgtrekkingen. Zo is het de menselijke aard ('human nature') die ervoor zorgt dat we in ons handelen en denken niet blijven steken in een radicaal scepticisme en verder maar niets doen en niets geloven. Logisch gezien hebben we geen enkele reden om te geloven wat we geloven, wanneer we bijvoorbeeld van mening zijn dat de natuur en de werking van de geest uniform zijn. We hebben geen reden te geloven in het bestaan van causale verbanden of 'substanties' (de dingen, God of het Ik). Maar wij, mensen, kunnen niet anders: het is de gesteldheid van de menselijke natuur die ervoor zorgt dat we doen en denken zoals we doen en denken.
"Ons Ik, of de persoonlijkheid is geen indruk. Het is datgene, waarop onze verschillende indrukken en voorstellingen betrekken. Het is niet veel meer dan een combinatie van gevoelens, niet meer dan een bundeling of een verzameling van verscheidene bewustzijnsinhouden, die met een onbegrijpelijke snelheid op elkaar volgen en voortdurend in stroom en beweging zijn."
"Wanneer ik dood zal zijn zullen de bestanddelen waaruit ik ben samengesteld nog steeds deel uitmaken van het universum en zij zullen even nuttig zijn in het grote weefsel als toen zij deel uitmaakten van dit individuele schepsel."
"Schoonheid is wat je geest er van maakt."