pik1 (de ~ (m.), ~ken)
1 stoot, prik
pik2 (de ~)
1 [inf.] persoon => man
2 (~ken) [inf.] penis
3 (~ken) pikhouweel
4 kleine zeis met korte steel
Pik (de ~ (m.))
pi·kant (bn.)
1 pittig, de smaak sterk prikkelend
2 de zinnen prikkelend door bijzonderheid of gewaagdheid => gewaagd, kinky
pi·kan·te·rie (de ~ (v.), ~ën)
1 iets dat de zinnen prikkelt
pik·broek (de ~ (m.))
1 [inf.] bevaren matroos
pik·don·ker1 (het ~)
1 diepe duisternis => aardedonker, stikdonker
pik·don·ker2 (bn.)
1 zeer donker => stikdonker, zo /donker/zwart/ als de nacht
pi·keer·sel (het ~, ~s)
1 [druk.] uitgesneden en opgeplakte afdruk van een cliché, die op een legger wordt geplakt om de afdruk op zijn voordeligst te laten uitkomen
pi·ke·ren (ov.ww.)
1 met kleine steekjes doornaaien
2 larderen
3 aanstrepen
pi·ket1 (de ~ (m.), ~ten)
1 piketpaal
pi·ket2 (het ~, ~ten)
1 wacht die bij noodgevallen moet ingrijpen
2 kaartspel gespeeld door twee personen met 32 kaarten
pi·ket·ha·mer (de ~ (m.))
1 houten hamer om piketten in te slaan
pi·ket·paal (de ~ (m.))
1 aangepunt rondhout dat in de grond geslagen wordt om scheerlijnen vast te maken, punten te markeren bij meten of bij uitzetten van een bestek => piket
pi·ket·spel (het ~)
1 het kaartspel piket
2 stel kaarten voor dat spel
pi·ket·ten (onov.ww.)
1 piket spelen
pi·ket·te·ren (onov.ww.)
1 piketten plaatsen
pi·ket·te·ring (de ~ (v.), ~en)
1 het piketteren
2 gezamenlijke ingeslagen piketten
pi·keur (de ~ (m.), ~s)
1 africhter van paarden => rijmeester
2 bestuurder van een sulky bij drafsport
pi·keur·tje (het ~, ~s)
1 [mil.] officiersstokje
Welke wil je ?.