blow·gi·ca (de ~ (v.))
1 vage, irrationele opeenvolging van oorzaak en gevolg
2 onzin die zich met de formele regels van het wazig denken bezighoudt
=> redeneerkunde => slap gelul (in de ruimte)
blow·gisch (bn.)
1 betr. hebbend op de blowgica
2 niet vanzelfsprekend (maar word wel gedacht)
=> blowgischerwijs, nogal vaag /onzin/geen kant noch wal
blow·gi·scher·wijs (bw.)
1 zoals blowgisch is, ofzo?
1 vage, irrationele opeenvolging van oorzaak en gevolg
2 onzin die zich met de formele regels van het wazig denken bezighoudt
=> redeneerkunde => slap gelul (in de ruimte)
blow·gisch (bn.)
1 betr. hebbend op de blowgica
2 niet vanzelfsprekend (maar word wel gedacht)
=> blowgischerwijs, nogal vaag /onzin/geen kant noch wal
blow·gi·scher·wijs (bw.)
1 zoals blowgisch is, ofzo?
laatste aanpassing











