poep1 (de ~ (m.))
1 [inf.] afvalstof uit de darmen van mens of dier => afgang, bah, beer, derrie, drek, excrementen, feces, kak, ontlasting, schijt, stront, vuiligheid
poep2 (de ~, ~en)
1 [Belg., inf.] achterwerk, bips
poep·doos (de ~)
1 [scherts.] toilet
poep·duur (bn.)
1 [inf.] peperduur
poe·pen (onov.ww.)
1 [inf.] lichamelijke afvalstoffen uitscheiden via de anus => bouten, drukken, een grote bah doen, een grote boodschap doen, kakken, schijten, uitkakken, uitpoepen, uitschijten, zich ontlasten, zijn behoefte doen, zijn gevoeg doen
2 [Belg., grof] neuken, vrijen
poe·per (de ~ (m.), ~s)
1 [inf.] achterste => anus
poep·gas (het ~)
1 [scherts.] biogas
poep·gat (het ~)
1 [inf.] aars => anus
poe·pie (het ~, ~s)
1 scheet, wind
2 uit vertedering gezegd van kleine kinderen of jonge dieren
3 [inf.] een klein beetje
poep·je (het ~, ~s)
1 [inf.] scheet, wind
poep·schep·je (het ~, ~s)
1 schepje waarmee men bij het uitlaten van zijn hond de hondenpoep kan opnemen
poep·seks (de ~ (m.))
1 seks waarbij de opwinding verhevigd wordt door poep, poepen of het zien poepen van anderen