pa·ra (de ~ (m.), ~'s)
1 paratroeper
2 [Belg.] paracommando
pa·ra-
1 naast [in uitheemse woorden]
pa·raaf (de ~ (m.), parafen)
1 handtekening die alleen bestaat uit initialen
pa·raat (bn.)
1 vaardig, gereed => startklaar
pa·raat·tas (de ~ (v.))
1 foedraal voor een camera, die tijdens het fotograferen zover geopend wordt, dat alleen lens en zoeker vrijkomen
pa·ra·bel (de ~, ~en/~s)
1 zinnebeeldig verhaal om een zedelijke waarheid te illustreren => gelijkenis
pa·ra·bel·lum (de ~ (m.), -la/~s)
1 halfautomatisch pistool => lugerpistool
pa·ra·bi·o·se (de ~ (v.))
1 [biol.] samengroeiing van twee organismen
pa·ra·bo·lisch (bn.)
1 (als) van een parabool
2 als in een gelijkenis
pa·ra·bo·lo·ï·de (de ~ (v.), ~n/~s)
1 [wisk.] parabolische kegel, lichaam begrensd door het vlak dat ontstaat door de wenteling van een parabool om haar as
pa·ra·bool (de ~, -bolen)
1 [wisk.] ongesloten kromme lijn die ontstaat wanneer van een kegel, evenwijdig met de mantel, een stuk wordt afgesneden [ongeveer de vorm van een hoefijzer]
pa·ra·bool·an·ten·ne (de ~)
1 schotelantenne
pa·ra·car·di·aal (bn.)
1 [med.] naast of buiten het hart gelegen
pa·ra·cen·te·se (de ~ (v.))
1 [med.] het kunstmatig openen van een lichaamsholte, om daaruit vochten of gassen te verwijderen => punctie
pa·ra·cen·traal (bn.)
1 [med.] naast het midden gelegen
pa·ra·cen·trisch (bn.)
1 met ongelijke middelpunten
pa·ra·cen·trum (het ~)
1 oefenplaats voor parachutisten
pa·ra·ce·ta·mol (de ~)
1 pijnstillend en koortswerend geneesmiddel
pa·ra·ce·ta·mol·le·tje (het ~, ~s)
1 tablet paracetamol
pa·ra·chro·nis·me
aukje alsjeblieft
