Unie
Ik lees wel eens een (vertrouwelijk) strafdossier.
Ik herinner het DUIM-onderzoek.
DUIM stond voor Drugs Uitvoer en Invoer Marokkanen.
De Groninger politie had die codenaam bedacht.
DUIM was de voortzetting van het Big Mac-onderzoek.
Dat ging ook over de lucratieve in- en uitvoer van drugs.
De parkeerplaats bij McDonald’s aan de Sontweg in Groningen speelde een prominente rol.
Vandaar.
In de dossiers kwam ik namen tegen van horeca-etablissementen en ondernemers in Groningen die op de een of de andere manier betrokken waren bij de in- en uitvoer. De meeste van die cafés en restaurants en ondernemers leven nog altijd in vrijheid.
Bij het lezen van sommige namen dacht ik: goh.
Bij andere: altijd al gedacht.
Wie wel eens een strafdossier leest, weet dat de politie veel meer weet dan blijkt. Een politieonderzoek levert altijd meer informatie op die nodig is voor dat onderzoek. De extra informatie – restinformatie of bijvangst – wordt soms gebruikt voor een ‘doorstart’. Soms ook, en misschien wel veel vaker, verdwijnt de restinfo voorgoed in tijdelijke of voorlopige politieregisters. Er is al eens een landelijke Werkgroep Restinformatie in het leven geroepen bij de politie om de rest-informatiehuishouding te verbeteren.
Ook dat bedenken ze.
We weten alles, maar we kunnen en mogen van alles niets, mopperde eens een politiechef vertrouwelijk op een afscheidsreceptie. ‘Maar geef mij honderd man extra en ik zuiver de stad.’
De naam van café Nieuwe Unie in de Gelkingestraat in Groningen was ik in dossiers nog nooit tegengekomen.
Een jaar lang had de politie de zaak – eens het mooiste café van de stad – op de korrel. Half Groningen zei dat de andere helft er harddrugs kocht. Een deel van die verklaringen stelde de politie op schrift.
Op 13 augustus dit jaar bezochten twintig politiemensen en één drugshond het café. De straat werd twee uur lang afgezet. Op drie verschillende plekken in de zaak werd ‘een op cocaïne lijkende stof’ gevonden, in totaal 30 gram.
In de krant verschenen geen artikelen dat de politie in het hartje van de binnenstad een boevenbende, handelend in harddrugs, had opgerold. Wel dat de burgemeester van Groningen het besluit had genomen het café voor twaalf maanden te sluiten. De burgemeester van Groningen mag zo’n besluit nemen omdat hij de openbare orde moet handhaven.
Cafés die harddrugs verkopen vallen buiten de openbare orde.
Waarschijnlijk is het volgende gebeurd.
Op maandagochtend komt de beheersdriehoek van Groningen op de werkkamer van de burgemeester van Groningen bijeen. Terwijl Joop den Uyl vanuit het fotolijstje toekijkt, buigen burgemeester, korpschef van de politie en de hoofdofficier van justitie zich over agendapunt vier: de vermeende handel in harddrugs in een binnenstadscafé.
De hoofdofficier stelt het strafrechterlijke traject voor.
Geen raar voorstel in harddrugszaken.
De korpschef van politie merkt op dat de bewijsvoering in deze een lastige is.
De hoofdofficier kijkt wat geïrriteerd.
‘Jullie hebben die tent toch al een jaar op de korrel?’
De korpschef grijnst zuur en zegt: ‘Als wij alles moeten aanpakken wat we weten in de stad, dan heb ik honderd extra mensen nodig. Dan trekken we alles en iedereen achterover. Maar ik heb, zoals je weet Jan, geen honderd mensen extra.’
De hoofdofficier heeft even geen zin in die discussie en kijkt naar de burgemeester. ‘Jij gaat over de openbare orde, Jacques.’
De burgemeester: ‘Ik begrijp het al. Het is misschien ook wel weer tijd om een krachtig signaal af te geven.’
De korpschef: ‘Dat bedoel ik. Jij trekt de vergunning in voor twaalf maanden. Dan hoeven wij niets te bewijzen.’
De burgemeester: ‘Staan we sterk bij de bestuursrechter?’
De hoofdofficier: ‘Dacht het wel. Bij deze geregeld. Volgend agendapunt.’
Maandagochtend stapt Mickey Smit de kort gedingzaal binnen van de rechtbank van Groningen. Na hem volgen twee gemeentejuristen en een politieman voor het geval de bestuursrechter vragen heeft. Mickey Smit, de eigenaar van café Nieuwe Unie, weet dat hij weinig kans maakt. Dat had zijn advocaat hem al verteld.
Mickey Smit probeert te redden wat er te redden valt: ‘Ik heb er alles aan gedaan de drugs buiten de deur te houden. Maar ik ben een nachtcafé, een overloopcafé. Ik sluit ’s ochtends om half tien. Dan is alles buiten de deur houden onmogelijk.’
Zijn advocaat Enno Tj. van Dalen: ‘Mijn cliënt valt niets te verwijten. Hij heeft part nog deel aan die dertig gram. Maar een sluiting van twaalf maanden betekent wel zijn faillissement.’
Mickey Smit: ‘Drugsgebruik in de horeca is een algemeen probleem. Ik kan niet iedere bezoeker filteren op drugsbezit.’
Van Dalen: ‘Stuur een mannetje met een paar gram cocaïne een café in, tip de politie en je brengt de horeca de nekslag toe.’
Mickey Smit: ‘Doe op zaterdagavond een inval in discotheek The Palace (naast de Nieuwe Unie gelegen – rz). Dan pak je meer dan 30 gram harddrugs. Er wordt met twee maten gemeten.’
De advocaat: ‘Een sluiting voor twaalf maanden, zonder waarschuwing vooraf, is buitenproportioneel.’
De bestuursrechter wil weten: Wat gebeurt er als een drugsdealer in het bezit van een handelsvoorraad cocaïne een willekeurig café bezoekt en juist op dat moment is er een inval van de politie?
De ambtenaar die de burgemeester vertegenwoordigt zegt: ‘Dat kan dan domme pech zijn. In principe kunnen we de zaak dan sluiten. De vraag of een exploitant al dan niet iets valt te verwijten, is niet van belang. Dat is niet relevant omdat het hier een maatregel betreft in het kader van de handhaving van de openbare orde.’
Mickey Smit en Van Dalen: ‘Maar het is niet redelijk.’
De ambtenaar: ‘Jawel, want er is een handelsvoorraad van 30 gram harddrugs gevonden.’
De bestuursrechter zegt dat ze dinsdagochtend om tien uur uitspraak zal doen.
Mickey Smit voelt de bui hangen.
Bij mij om de hoek, zegt hij, is twee weken geleden iemand doodgestoken, maar de Grote Griet is geen tien minuten dicht geweest. Bij mij wordt dertig gram gevonden en ik moet een jaar dicht.’
‘Ik bedoel maar’, sombert hij.
De politieman: ‘Boter op het hoofd. Er zijn horeca-exploitanten die echt hun best doen drugs buiten de deur te houden en er zijn er die het juichend toestaan. Als wij alles zouden vertellen wat wij weten…’
Het restinformatieregister zou niet vertrouwelijk, maar openbaar moeten zijn.
Rob Zijlstra