slaap (de ~ (m.), slapen)
1 toestand van rust van de zintuigen en van het bewustzijn
2 neiging tot, behoefte aan slaap
3 tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
4 toestand die bij sommige planten 's nachts optreedt en de indruk maakt van rust
5 elk der beide zijvlakken van het hoofd tussen de ogen en de oren
