1. Kat of hond: beide
2. Simpel of ingewikkeld: simpel
3. Grappig of serieus: Grappig
4. Volle of halfvolle melk: halfvolle
5. Kleur of zwart-wit foto's: zwart wit
6. Zonsopgang of -ondergang: ondergang
7. Lachen of dromen: allebei
8. Zomer of wintervakante: Zomervakantie
9. Verlegen of uitgelaten: allebij
10. Licht of donker: Licht
11. Chat of telefoon: allebei
12. Niezen of hoesten: Niezen.
13. Vrouwen met of zonder make-up: /
14. Lief of vrienden: allebei
15. Bruin, blond, of zwart haar: alle 3 xD
16. Potlood of pen: pen
17. Wit of zwart: wit
18. Coca cola of pepsi: coca cola
19. Vanille of chocola: chocola
20. Pasta of pizza: Pizza
21. Zelf auto rijden of vervoerd worden: zelf = leuk, vervoerd worden = makkelijk
21. Cremeren of begraven: Begraven
22. Aardbeien of slagroom: Aardbeien
23. Twaalf rozen of een sorry briefje: sorry briefje
24. Cinema of sofa thuis: cinema
25. Afwassen of afdrogen: afwassen
26. Verwennen of verwend worden: allebei.
25. Strand of zwembad: zwembad
26. Voeten of nek: nek
27. Jeans of stof: Jeans
28. Hempje of T-shirt: hempje
29. Zwembad of sauna: Zwembad.
30. Badolie of badschuim: badschuim
31. Douchen of ligbad: ligbad
32. Spreken of zwijgen: spreken
33. Gelukkig of triestig: Gelukkig.
34. Leven of dood: Leven
35. Wat haal je als eerste uit jou brandend huis: Heringeringen van mijn broer.('L)
36. Afhaaldiner of samen koken: Afhaaldiner
37. Zou je ooit willen trouwen: ja.
38. Fastfood of restaurant: fastfood
39. Bier of wijn: BIER
