
De daken schieten uit de grond, en de betonklinkers uit de lucht.
Ik zit hier veilig in het bos, met lieve kaboutertjes.
Die de bomen doen waaien als een heerlijk zomerbriesje.
Terwijl de sneeuw langzaam ijs word.
Gaan wij heerlijk schaatsen op het grasveld langs de kant.
De voetballers zijn smurfen geworden, die vrijen met de snorkels.
Ondertussen voelen de kevertjes zich op hun gemak.
Want de grote boze mier is doodgetrapt door de wolf van doornroosje.
Die uit het bos van sneeuwwitje kwam op de trap van assepoester.
Maar wij gaan door met schaatsen tot het een modderpoel is.
Dan fluiten wij een paar keer en gaan we knalle tot we erbij neervallen.
In die mooie hangmat die tussen de lantaarnpaals staat.
Bij het bruggetje om de hoek bij de snackbar.
Waar we net chinees hebben gegeten met de kerstman.
Terwijl sinterklaas met de rendieren speelde.
Die zo zwart waren als roet van al dat poepen.
De elfjes dansen een vrolijk deuntje.
En ik neem bij deze afscheid van jullie.
Tot ziens en bedankt.